Vlaamse Miniaturen

Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden

Naar Michiel Verweij. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

De geschiedenis van de economisch welvarende Zuidelijke Nederlanden wordt gekenmerkt door hun opdeling en hun positie tegenover het koninkrijk Frankrijk en het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie of het Keizerrijk. Als strategische zone voor de Europese handel genoot deze regio de belangstelling van het buitenland en vormde ze met name in de 14de eeuw het terrein voor menige confrontatie.


Het graafschap Vlaanderen (866-1369)

In de slotfase van het Karolingische rijk loste het centrale gezag geleidelijk op en werd de rol hiervan steeds meer overgenomen door de lokale gouwen (pagi in het Latijn) die later tot de feodale vorstendommen zijn uitgegroeid. Een van deze staatjes zou vanaf de 10de eeuw een ontwikkeling zonder weerga kennen: een rijk en machtig graafschap dat zijn naam ontleent aan een moeilijk nauwkeurig te begrenzen pagus aan de Noordzee, de pagus Flandrensis. Dit gebied is de kern waaromheen zich het graafschap Vlaanderen heeft gevormd.

In de loop van de 12de en 13de eeuw werd dit graafschap Vlaanderen dank zij de internationale havenvan Brugge en de lakenindustrie van Gent en Ieper een van de rijkste en machtigste territoria van de regio. In het westen vormde de Noordzee de grens, terwijl de invloed van dit graafschap zich in het noorden tot de Zeeuwse eilanden uitstrekte tot deze in 1323 in de macht van de graven van Holland vielen. In het zuiden hoorde een goed deel van het nu Franse departement Nord ertoe, met de omgeving van Duinkerke, Kassel en Rijsel, evenals Artesië (departement Pas-de-Calais). De graaf was niet alleen vazal van de Franse koning, maar ook van de Duitse keizer, aangezien hij ook Aalst en de Vier Ambachten bestuurde.

Een stedelijke economie

Het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant vormden de eerste en meest geürbaniseerde gebieden van West-Europa en telden een reeks naar de normen van die tijd grote steden. De ontwikkeling van deze steden, zoals Gent en Brugge, heeft zich ook gemanifesteerd in politieke eisen: de nieuwe burgerij eiste, soms door gewapende opstand, de leiding van de stedelijke instellingen. Zij wilde de controle over de financiële middelen en de rechtspraak waarvan de implicaties op het economisch leven steeds duidelijker werden. Deze emancipatie bood de gemeenten een eigen statuut en identiteit die ze opeisten om zich te onttrekken aan de willekeur van de feodale macht. Een college van schepenen met een proost of meier aan het hoofd bestuurde deze steden.

Opstanden

Tijdens de Honderdjarige Oorlog kiest de Vlaamse graaf de kant van de Franse koning. Gezien de afhankelijkheid van de invoer van Engelse wol zijn de Gentse gilden erin geslaagd om de commerciële contacten met Engeland te handhaven zonder in conflict te raken met Frankrijk. Hun leider Jacob van Artevelde wordt gedood in 1345. Zijn zoon Filips van Artevelde blijft zich echter tegen graaf Lodewijk van Male verzetten. Van Artevelde heeft de leiding op zich genomen van de opstand van de 'Witte kaproenen'. Deze opstandige beweging van de Gentse wevers (1379) heeft zich snel naar andere steden uitgebreid, zoals Brugge, in naam van de verdediging van de stedelijke vrijheden en een zekere solidariteit tegen het graaflijke gezag. Ondanks het feit dat deze Vlaamse opstand door de Franse koning Karel VI in de lag van Roosebeke (1382) wordt neergeslagen, blijft hij voortsmeulen tot 1385.

Vlaanderen en Vlaams: termen van variabele inhoud

De termen 'Vlaanderen' en 'Vlaams' verbergen in wezen een diversiteit aan betekenissen. Aanvankelijk hadden ze betrekking op een zeer beperkte territorium, maar later werden ze voor een veel groter gebied gebruikt om dan in een derde stadium weer ingeperkt te worden waarbij het begrip zelfs politiek zeer geladen werd. In eerste isntantie voltrekt zich een semantische verglijding van het rijke en machtige graafschap Vlaanderen naar aanduiding voor de Nederlanden in het algemeen, later meer bepaald voor de Zuidelijke Nederlanden.
De economische en culturele uitstraling van het graafschap Vlaanderen leidde ertoe dat de term 'Vlaams' in het buitenland werd gebruikt voor alle bewoners van de omgeving van de benedenloop van de Schelde, Rijn en Maas. Voor de middeleeuwen gaat het om een reeks vorstendommen zoals de hertogdommen Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelre, de graafschappen Artesië, Vlaanderen, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen, de bisdommen kamerijk, Luik, Doornik en Utrecht, de heerlijkheid Mechelen en de Friese landen. Hierbij sluiten dan nog de oostelijker gelegen hertogdommen Kleef en Gulik aan, alsmede de rijksstad Aken en het aartsbidsom Keulen die in de 13de en 14de eeuw in onze contreien een belangrijke rol speelden.
Het spel van verbintenissen en opvolging heeft deze territoria die aanvankelijk onafhankelijk waren, gegroepeerd in de min of meer stabiele en homogene entiteit die men De Bourgondische staat noemt. De eenmaking hiervan begint met Filips de Stoute.

De Bourgondische periode (1384-1477)

Vanaf 1384 valt de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen samen met die van het hertogdom Bourgondië. Na de dood van de Vlaamse graaf Lodewijk II van Male (1346-1384) erven zijn dochter Margaretha en haar echtgenoot Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, het graafschap. De laatste verenigt Vlaanderen met Artesië en legt zo de grondslag voor de Bourgondische Nederlanden. Hun kleinzoon Filips de Goede (1419-1467) zet deze politiek van eenwording van de regio voort.
Door middel van huwelijken, confiscaties of erfenissen breiden de hertogen hun gezag uit over Vlaanderen, Artesië, de Franche-Comté, Namen, Brabant, Limburg, Henegouwen, Zeeland, Holland, Friesland en, tot slot, Gelre en de Boven-Elzas. De Bourgondische hertogen besturen daarmee een territorium met inwoners van verschillende herkomst die ook verschillende talen spreken. Aan het hoofd van een heuse gecentraliseerde staat voeren de Bourgondische hertogen een onafhankelijke politiek.
De poging tot het herstel van het oude Lotharingen tussen Frankrijk en het Keizerrijk komt ten einde met de overspannen ambitie van Karel de Stoute (1467-1477). Zijn dood op 5 januari 1477 nabij Nancy dat hij probeert te veroveren op hertog René II van Lotharingen, vormt het einde van de Bourgondische droom.

Territoriale splitsing en herschikking

Terwijl het stamhertogdom Bourgondië terugvalt aan Lodewijk XI van Frankrijk, komt de rest van de erfenis door het huwelijk van Maria van Bourgondië, dochter van Karel de Stoute, met Maximiliaan van Oostenrijk aan de Habsburgers. Uit deze verbintenis wordt aartshertog Filips de Schone geboren, zowel Habsburger als Bourgondiër. Zijn zoon keizer Karel V zal de laatste vazalbanden tussen Vlaanderen en Frankrijk verbreken met het verdrag van Madrid (1526). Vlaanderen zal dan enkel nog horen bij de Zeventien Provincies (de huidige Benelux).

Na de vrede van Münster (1648) die het einde betekent van de politieke eenheid van de Lage Landen, zullen de begrippen 'Vlaanderen' en 'Vlaams' in meer beperkte zin worden gebruikt en enkel nog de Zuidelijke Nederlanden aanduiden (het latere België), terwijl voor het noorden 'Holland' en Hollands' in zwang raken. Dit onderscheid tussen Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden was overigens in de middeleeuwen en vroeg-moderne tijd niet zo scherp.

De kern van de Zuidelijke Nederlanden wordt gevormd door de graafschappen Vlaanderen, Henegouwen en Namen, het hertogdom Brabant en het bisdom Luik. De meeste van deze feodale territoria hebben in de loop van de 17de eeuw serieuze verliezen geleden: aanzienlijke stukken van Vlaanderen en Henegouwen werden geannexeerd door Lodewijk XIV en maken nu deel uit van de departementen Nord en Pas-de-Calais, terwijl Brabant zijn noordelijke helft aan de Republiek van de Verenigde Provincies verloor.

Vlaanderen en België

Na de Belgische onafhankelijkheid in 1831 en de laatste politieke ontwikkelingen wijst 'Vlaams' op het Nederlandstalige deel van België, waarbij 'Vlaams' dus eerst en vooral op de (Nederlandse) taal betrekking is gaan hebben.
De vaststelling van de taalgrens in 1962 legt het eentalig statuut vast van Vlaanderen en Wallonië met een apart statuut voor het tweetalige Brussel. Sinds de staatshervorming van 1993 kent België naast de federale instellingen twee vormen van gewestelijke indeling: enerzijds zijn de Gemeenschappen (de Vlaamse, de Franstalige en de Duitstalige Gemeenschap) verantwoordelijk voor de persoonsgebonden materies, zoals onderwijs en cultuur; anderzijds beschikken de Gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel) over territoriumgebonden bevoegdheden zoals infrastructuur en economie. Het Vlaams Gewest (oftewel Vlaanderen) bestaat uit de vijf provincies Oost-en West-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg, terwijl de Vlaamse Gemeenschap ook bevoegd is voor de Nederlandstaligen in Brussel.