Vlaamse Miniaturen

De Bourgondische staat

Naar Bertrand Schnerb. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

 

Bij het aanbreken van de 15de eeuw was het lot van het graafschap Vlaanderen al meer dan twintig jaar verbonden met dat van de territoriale entiteit die onder het gezag van de Bourgondische hertogen van het Huis van Valois in wording was. Deze historische situatie was het gevolg van het huwelijk, dat in juni 1369 in Gent werd ingezegend, van Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en broer van de Franse koning Karel v, met Margareta van Male, de enige dochter van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen. Vooral de Bourgondische hertog stelde op korte termijn hoge verwachtingen aan dit huwelijk. Zijn vrouw was immers de aangewezen erfgename van vijf graafschappen: van zuid naar noord, het graafschap Nevers, het graafschap Bourgondië (Franche-Comté), het graafschap Rethel, het graafschap Artesië en het graafschap Vlaanderen.

Het graafschap Vlaanderen was onbetwistbaar het interessantste onderdeel van deze mooie nalatenschap: niet alleen leverde het grafelijk domein de vorst aanzienlijke inkomsten op, maar bovendien was het hele land rijk, zowel door de opbrengst van de landbouw als door het feit dat er in de steden een dynamische productie- en handelsactiviteit plaatsvond. Brugge bijvoorbeeld, met zijn voorhavens Sluis en Damme, was in die tijd een van de belangrijkste centra van de grote internationale handel en hele kolonies buitenlandse handelaars – uit Italië, Duitsland en Spanje – hadden er zich gevestigd. De kroniekschrijver Jean Froissart schreef: ‘Uit zeventien christelijke koninkrijken komen de bezittingen en koopwaar aan in Sluis in Vlaanderen, vanwaar ze worden doorgevoerd naar Damme of Brugge’. De graaf van Vlaanderen haalde aanzienlijke inkomsten uit tal van heffingen, directe belastingen, tolgelden en indirecte belastingen op de economische activiteiten van zijn Vlaamse onderdanen en gold als een van de rijkste vorsten van het Franse koninkrijk.


Opstand en burgeroorlog in Vlaanderen

Bij het bestuur van dit rijk moest echter heel omzichtig te werk worden gegaan. Er moest immers rekening worden gehouden met de wil van de grote steden, meer bepaald van Gent, Brugge en Ieper, de drie ‘Leden van Vlaanderen’; hun afgevaardigden waren de bevoorrechte gesprekspartners van de vorstelijke macht. Gedurende vele jaren had Filips de Stoute, als schoonzoon van graaf Lodewijk van Male, de kans gekregen om kennis te maken met het graafschap, zijn rijkdom, zijn bijzondere kenmerken en de gevaren die het inhield. Nog vóór hij aan de macht kwam, vanaf 1379, daverde het land op zijn grondvesten als gevolg van een burgeroorlog die was begonnen met de Gentse opstand. De gebeurtenissen hadden een duurzame weerslag op het politieke, maatschappelijke en economische leven. In zijn streven om de graaf van Vlaanderen, zijn schoonvader, te helpen en om de erfenis van zijn vrouw veilig te stellen, was de Bourgondische hertog achtereenvolgens tussengekomen als bemiddelaar en als aanhanger van de sterke hand. Toen graaf Lodewijk van Male in januari 1384 overleed, was de oorlog in Vlaanderen echter nog steeds niet afgelopen en kregen Filips de Stoute en Margaretha van Male, als erfgenamen van het graafschap, de zware opdracht om een oplossing te vinden voor het conflict. Daar de gewapende strijd tot een impasse had geleid, konden de oorlogvoerende partijen enkel nog onderhandelen. In december 1385 sloten de nieuwe graaf en gravin van Vlaanderen met de opstandige Gentenaren dan ook de Vrede van Doornik. Dit verdrag was het begin van een lange periode tijdens welke de vorst de privileges van de stad Gent moest eerbiedigen en inspanningen leverde om goede betrekkingen te onderhouden met de verschillende bevolkingsgroepen.

Het einde van de burgeroorlog stelde de vorst in staat om het bestuur van het graafschap Vlaanderen ten volle op te nemen. Hij voerde een actief beleid van heropbouw en trof vele maatregelen ten voordele van de steden, de handel en het platteland. Er werden toegevingen gedaan aan de buitenlandse kooplieden wier activiteiten hadden geleden onder de burgeroorlog en op middellange termijn werd het handelsverkeer met verre gebieden, waarvan Vlaanderen een draaischijf was, hersteld.


Institutionele hervormingen

De machtsovername van het Huis van Bourgondië in het graafschap Vlaanderen ging gepaard met institutionele hervormingen. De hoeksteen van het bestuur was, vanaf 1385, de kanselier, ‘le chancelier de monseigneur le duc de Bourgogne’, waarvoor een Vlaamse instelling model stond. Ook de al bestaande administratieve, gerechtelijke en financiële instellingen ondergingen ingrijpende wijzigingen. In 1386 werd er voor het graafschap Vlaanderen een raad- en rekenkamer opgericht die in Rijsel werd gevestigd. Deze instelling leidde tot het ontstaan van een Rekenkamer, gevestigd in Rijsel, en van een Raad van Vlaanderen, een grafelijk gerechtshof dat aanvankelijk in Rijsel zitting had en later, op verzoek van de Vlaamse onderdanen van de vorst, in 1405 eerst naar Oudenaarde en vervolgens in 1407 naar Gent werd overgebracht. Dat waren de belangrijkste organen van het Bourgondisch bestuur in Vlaanderen waar de macht op lokaal niveau werd vertegenwoordigd door de hertogelijke baljuws, die al bestonden vóór de machtsovername door het Huis van Bourgondië.

Aan het hoofd van dit machtsapparaat stond de vorst, die door zijn raad werd bijgestaan wanneer hij in Vlaanderen in de belangrijkste residentiesteden (Brugge, Gent en Rijsel) verbleef. Toch kwam hij eerder zelden naar Vlaanderen en meermaals eisten zijn onderdanen dat de hertog zelf of een lid van zijn familie, zijn echtgenote of zijn oudste zoon, naar Vlaanderen zou komen. Om aan die eis gevolg te geven liet Jan zonder Vrees, tijdens zijn regeerperiode, zijn zoon Filips, graaf van Charolais, de toekomstige hertog Filips de Goede, in Gent verblijven. Hij genoot er een deel van zijn opvoeding alvorens hij al op heel jonge leeftijd door zijn vader tot plaatsvervanger werd benoemd en de opdracht kreeg om Vlaanderen in zijn plaats te besturen.