Vlaamse Miniaturen

Expansie van de Bourgondische Nederlanden

Naar Bertrand Schnerb. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

De dood van de Bourgondische hertog Filips de Stoute, in april 1404, werd één jaar later gevolgd door het overlijden van Margareta van Male. In overeenstemming met successierechtelijke bepalingen die in 1401 waren vastgelegd, ging het graafschap Vlaanderen over naar hun oudste zoon, hertog Jan zonder Vrees, die ook het hertogdom en graafschap Bourgondië, evenals het graafschap Artesië erfde. Een van zijn broers, Antoon van Bourgondië, verwierf in 1406 − als gevolg van een onderhandeld akkoord met zijn groottante Johanna, hertogin van Brabant, die zelf geen erfgenaam had − voor zichzelf en zijn nakomelingen de hertogdommen Brabant en Limburg. Deze regeling, die een jongere tak van het Huis van Bourgondië de mogelijkheid bood om zich meester te maken van deze twee centraal in de Lage Landen gelegen vorstendommen, zou gepaard gaan met de resultaten van de huwelijksstrategie van de hertogen, dit alles zeer in het voordeel van de Bourgondische machthebbers.

Later slaagden de Bourgondische vorsten erin om door het sluiten van huwelijken en het gebruik van het erfrecht en van geld maar ook van geweld een groot aantal gebieden samen te brengen die zich uitstrekten van de Noordzee tot de grenzen van de Lyonnais, aan weerskanten van de grens tussen het Franse koninkrijk in het westen en het Keizerrijk in het oosten.


Tijdens zijn bewind maakte hertog Jan zonder Vrees gebruik van de burgeroorlog in het Franse koninkrijk, die hij in grote mate mee had uitgelokt, om de hand te leggen op strategische gebieden. Zo veroverde hij tussen 1416 en 1417 het graafschap Boulogne, de kasselrijen Roye, Péronne en Montdidier, evenals de gebieden Mâconnais en Auxerrois. Al deze heerlijkheden werden in 1435, samen met het graafschap Ponthieu en de ‘Somme-steden’ Amiens, Corbie en Doullens, officieel afgestaan aan de Bourgondische hertog krachtens het verdrag van Atrecht dat het einde betekende van de burgeroorlog en de verzoening bezegelde van de Franse koning Karel vii met Filips de Goede, de zoon en opvolger van Jan zonder Vrees.

Het handige gemanoeuvreer van Filips de Goede

Nog meer dan zijn vader was deze hertog Filips een ‘verzamelaar van gebieden’. In 1421 al kocht hij het graafschap Namen dat hij in 1429 inlijfde bij zijn bezittingen. Van 1425 tot 1433 ondernam hij een moeilijke campagne waarbij hij er uiteindelijk in slaagde om de graafschappen Henegouwen, Holland en Zeeland aan zijn nicht Jacoba van Beieren te ontnemen. Intussen had hij in 1430 de hertogdommen Brabant en Limburg toegevoegd aan zijn bezittingen, na het uitsterven van de jongere tak van zijn oom Antoon van Bourgondië. Vervolgens slaagde hij er in 1443, niet zonder moeite, in om zich te verzekeren van het bezit van het hertogdom Luxemburg. In dat jaar voerde hij het bewind over zo goed als alle grote seculiere vorstendommen van de Lage Landen (zijn zoon Karel de Stoute voegde daar in 1473 enkel nog het hertogdom Gelre aan toe). Ook de kerkelijke vorstendommen kwamen beetje bij beetje alle onder zijn invloed te staan: in 1439 werd een onwettige zoon van Jan zonder Vrees, Jan van Bourgondië, bisschop van Kamerijk en in 1456 zorgde Filips de Goede ervoor dat zijn bastaardzoon David van Bourgondië tot bisschop van Utrecht werd benoemd. Het prinsbisdom Luik werd, ondanks de felle weerstand van een deel van de bevolking, nauw gecontroleerd door de Bourgondische machthebbers: in 1408 moest Jan zonder Vrees er gewapenderhand optreden om de rechten van zijn schoonbroer, Jan van Beieren, elect van Luik, te vrijwaren. Later, in 1456, slaagde Filips de Goede erin om zijn neef Lodewijk van Bourbon op de bisschopsstoel te krijgen. Toch waren er tussen 1465 en 1468 nog militaire interventies noodzakelijk om Luik binnen de Bourgondische invloedssfeer te houden, met als gevolg dat de stad gedeeltelijk werd vernield en het land onder het gezamenlijk gezag werd geplaatst van de prins-bisschop en een luitenant-generaal van de Bourgondische hertog.


Als gevolg van de grootschalige campagne van gebiedsuitbreiding kwam hertog Filips de Goede aan het hoofd te staan van een aantal vorstendommen die hijzelf en de zijnen gewoonlijk, wanneer ze er verbleven, de ‘pays de par-deçà’, de ‘landen van herwaarts over’, noemden (of, nog preciezer, ‘par-deçà Champagne’), in tegenstelling met de Bourgondische gebieden, de ‘pays de par-delà' of ‘landen van derwaarts over’. Vandaag wordt gewoonlijk de uitdrukking ‘Bourgondische Nederlanden’ gebruikt voor de ‘landen van herwaarts over’, een uitdrukking die natuurlijk niet gangbaar was ten tijde van de Bourgondische hertogen. Het graafschap Vlaanderen maakte voortaan ook deel uit van dit geheel, waarvan de verschillende onderdelen slechts met elkaar waren verbonden door een personele unie: ze hadden alle dezelfde vorst. Elk vorstendom behield immers zijn taalkundige, institutionele, juridische en administratieve eigenheid. Toch werd het Bourgondisch regime, naast de persoon van de vorst, door enkele factoren van eenheid gekenmerkt: ten eerste strekte de bevoegdheid van de kanselier van de hertog zich uit over alle heerlijkheden van zijn vorst; ten tweede was de munt die vanaf 1433 in de Bourgondische Nederlanden werd geslagen het officiële betaalmiddel in Brabant, Limburg, Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen; ten derde begon de hertog vanaf 1464 ‘États généraux de par-deçà’ (Staten-Generaal) samen te roepen, een representatieve vergadering waarin afgevaardigden zetelden van de Staten van al zijn noordelijke heerlijkheden; en ten vierde vaardigde de vorst vanaf de jaren 1460-1470 algemene ordonnanties uit die van toepassing waren op al zijn gebieden.


Onder Karel de Stoute werd er opmerkelijke vooruitgang geboekt met de institutionele eenmaking en centralisering van de Bourgondische Nederlanden, vooral na de grote hervormingen van 1473. In juni van dat jaar besliste de hertog immers om in de stad Mechelen de Grote Raad te vestigen, een hoger rechtscollege waarvan de bevoegdheid zich uitstrekte over alle hertogelijke gebieden en die voordien geen vaste zetel had. In december van hetzelfde jaar vormde de hertog deze Grote Raad krachtens de zogenaamde ordonnantie van Thionville om tot een Parlement, een soeverein hof dat in laatste aanleg moest oordelen over alle beroepen afkomstig uit de ‘landen van herwaarts over’. Tegelijkertijd hief hij de Rekenkamers in Rijsel en Brussel op en creëerde hij één enkele Rekenkamer voor de Bourgondische Nederlanden, die hij eveneens in Mechelen vestigde.

Economische ontwikkeling

De Bourgondische hertog beschikte over aanzienlijke financiële middelen die van hem zo niet de rijkste dan toch tenminste een van de rijkste vorsten van Europa maakten. De uitgaven als gevolg van de levensstijl aan het hof, van diplomatieke ondernemingen en van militaire operaties, slokten echter enorme bedragen op en in de praktijk moesten de vorsten van het Huis van Bourgondië voortdurend geld lenen bij geldschieters. Daarvoor wendden ze zich meer bepaald tot Toscaanse handelslieden die zich in Brugge hadden gevestigd, zoals Dino Rapondi en Giovanni Arnolfini uit Lucca of de Florentijn Tommaso Portinari. Eerstgenoemde stond in voor de financiering van tal van ondernemingen van Filips de Stoute en van Jan zonder Vrees, de tweede kende aanzienlijke leningen toe aan Filips de Goede en de derde, die aan het hoofd stond van het Brugse filiaal van de Medici, leverde heel belangrijke financiële hulp aan Karel de Stoute.



De stad Brugge was ten tijde van de Bourgondische hertogen inderdaad het rijkste en meest actieve stedelijk centrum van de Bourgondische Nederlanden. Als een van de belangrijkste centra van de grote internationale handel telde de stad binnen haar muren minstens twaalf gemeenschappen of ‘naties’ van buitenlandse kooplieden die de graven van Vlaanderen en de Bourgondische hertogen hadden beschermd en overladen met privileges en die onafgebroken in de stad verbleven.
Natuurlijk was Brugge slechts het centrale element van een groot geheel waarin andere grote steden een belangrijke commerciële rol vervulden, te beginnen met Antwerpen waarvan de handelsbeurzen een internationale reputatie genoten. Op economisch vlak vormden de Bourgondische Nederlanden een geheel waarvan de verschillende onderdelen elkaar aanvulden. Naast de landbouwgebieden die de steden van levensmiddelen voorzagen, produceerden bepaalde sectoren grondstoffen en bevoorraadden ze de ambachtelijke sector. De textielnijverheid, die zich in deze gebieden al vroeg ontwikkelde, produceerde wollen lakens en linnen die op grote schaal werden uitgevoerd. Weliswaar kende de lakenindustrie van de grote Vlaamse steden zoals Gent of Ieper vanaf de 14de eeuw onbetwistbare moeilijkheden als gevolg van haar zwakke concurrentievermogen op de internationale markt, maar ze bleef een uitstekende reputatie genieten en andere productiecentra, meer bepaald een aantal kleine Vlaamse steden, namen de fakkel over. Net als Brabant en Holland, andere belangrijke centra van de lakenproductie, bleef Vlaanderen in contact met de productiegebieden van grondstoffen zoals Engeland, Schotland, Pruisen en het Iberisch Schiereiland.

In de Maasstreek was er dan weer een sterke ontwikkeling van de metaalnijverheid. De nabijheid van dit gebied zorgde ervoor dat tal van steden in de Bourgondische Nederlanden zich in de productie van metalen voorwerpen specialiseerden. Zo werden er wapens, wapenrustingen en kanonnen gefabriceerd en verhandeld in steden als Antwerpen, Brugge, Brussel, Gent, Mechelen en Bergen. Bovendien waren ook de grote steden waar de hofadel, de hertogelijke officieren en welgestelde burgers verbleven en met elkaar omgingen, centra waar de luxeambachten, de juweelnijverheid, de edelsmeedkunst en de tapijtweefkunst bloeiden. Tot slot ontwikkelden ook de schilders, de ‘imagiers’ en de steenhouwers er een grote bedrijvigheid.