Vlaamse Miniaturen

De steden en de mensen

Naar Bertrand Schnerb. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

De komst van het Huis van Bourgondië naar Vlaanderen vond plaats in een context die was getekend door een gewelddadige opstand tegen de macht van de vorst door een deel van de stedelingen, meer bepaald in Gent. Door blijk te geven van zowel zin voor diplomatie als politieke realiteitszin was Filips de Stoute erin geslaagd de gemoederen te bedaren. De Vrede van Doornik van december 1385 had een periode van rust ingeluid in de relaties tussen de vorst en de steden. Het was echter een broze rust, want het beleid van de hertog stond in het teken van een tendens naar centralisatie terwijl de steden hun privileges en hun lokale belangen verdedigden.



De Bourgondische hertogen gingen niet stelselmatig op zoek naar de confrontatie, des te meer omdat de stedelingen niet als één man tegen hen gekant waren. De elites die in het stadsbestuur de bovenhand hadden en in hun rangen edelen, burgers en kooplieden telden, schaarden zich gewoonlijk achter de vorst en waren de mening toegedaan dat de onderwerping aan en de samenwerking met het hertogelijk gezag garant stonden voor vrede en, bijgevolg, voor welvaart. Enerzijds leverden de Bourgondische hertogen de nodige inspanningen om de steden aan hun kant te krijgen door ze te betrekken bij de pracht en praal van het hof, ze te kiezen als kader voor grote feesten en belangrijke ceremonies, en door binnen hun muren te verblijven. Anderzijds wilden ze ook dat de steden zich aan hun macht onderwierpen. De gebruikelijke middelen die de hertogen aanwendden om zich van de gehoorzaamheid van de steden te verzekeren, omvatten het strenge toezicht op de stadsbesturen. Bijgevolg vond de aanwijzing van de leden van het bestuur in de steden, d.w.z. hun schepenen, niet alleen in Vlaanderen maar ook in de rest van de Bourgondische Nederlanden plaats onder toezicht van commissarissen van de hertog. Ook de financiën van de steden werden streng gecontroleerd. De vorst zorgde er vooral voor dat hij een deel afnam van de ‘assises’ of accijnzen − de belastingen die met zijn toestemming op de handel werden geheven − en dat hij van het bestuur en de inwoners van de stad aanzienlijke leningen verkreeg. Tot slot ging de centralisatie onvermijdelijk gepaard met het inperken van de gerechtelijke macht van de steden ten voordele van de vorstelijke gerechtshoven.

Dit neemt echter niet weg dat de geschiedenis van de betrekkingen van de hertogen met de steden in de Bourgondische Nederlanden na 1385 in het teken stond van gewelddadige episodes en krachtmetingen. Dit leidde telkens tot een overwinning van de centrale staat en de verzwakking van de macht van de steden. De botsing van het centralisatiebeleid van de hertogen met de autonomie van de steden was daarbij niet de enige factor. Ook ingewikkelde economische en sociale oorzaken speelden een rol in de verschillende opstoten die de ‘landen van herwaarts over’ en meer bepaald het graafschap Vlaanderen beroerden. Na de Vrede van Doornik waren er bescheiden opstanden te Brugge in 1387 en 1390 en te Gent in 1392. Hertog Filips de Stoute richtte zich echter op zijn werk van wederopbouw en had niet de bedoeling de zaken op de spits te drijven. In 1400-1401, toen het tot een conflict kwam tussen de soeverein-baljuw van Vlaanderen en de Gentenaars, gaf Filips er de voorkeur aan hem uit zijn functie te ontzetten en hem bij wijze van boetedoening op bedevaart naar Jeruzalem te sturen, veeleer dan de confrontatie aan te gaan met de stad waarmee hij vijftien jaar eerder vrede had gesloten. Later probeerde ook hertog Jan zonder Vrees om frontale botsingen uit de weg te gaan. De ernstigste crisis waarmee hij te maken kreeg, was een gewapende opstand van Brugge in 1411 die werd geneutraliseerd door toegevingen, met name op fiscaal vlak, en door de intrekking van een charter uit 1407 dat op denigrerende wijze calfvel werd genoemd en waarbij de Brugse magistraat op plechtige wijze had ingestemd met hervormingen die de vorst oplegde en die de stedelijke privileges beknotten.

Terwijl grote confrontaties uitbleven onder het bewind van de eerste twee Bourgondische hertogen van het Huis van Valois, gold dit niet voor Filips de Goede en Karel de Stoute. Zij hadden nagenoeg alle vorstendommen van de Lage Landen in hun handen of binnen hun invloedssfeer en waren vastbesloten om hun beleid van centralisatie op te dringen; ze waren dan ook niet langer geneigd om de steeds terugkerende uitingen van stedelijke autonomie te dulden. In de jaren 1420-1430, in een context van ongunstige economische conjunctuur, braken er meerdere opstanden uit. Deze periode van onrust was dan ook de voorbode van de grote opstand die Brugge in 1437-1438 op zijn grondvesten deed daveren. De gebeurtenissen namen een dramatische wending en het scheelde niet veel of hertog Filips de Goede kwam zelf om in een opstand op 22 mei 1437. Als gevolg van deze gebeurtenissen was Brugge het slachtoffer van een strenge blokkade en in maart 1438 moesten de opstandelingen zich overgeven. De stad werd bestraft met een boete van 200.000 ridders (een goudstuk met een afbeelding van de Bourgondische hertog op zijn paard) en verloor een groot deel van zijn privileges. Ook de economie in de stad had het zwaar te verduren gekregen en het is veelzeggend dat de ‘naties’ van buitenlandse kooplieden tijdens het conflict hebben geprobeerd als bemiddelaars op te treden tussen de Bourgondische hertog en de opstandelingen. De opstand en de blokkade hadden hun activiteiten immers grote schade toegebracht.

Vijftien jaar later was het de beurt aan Gent om in opstand te komen en de gevolgen te dragen van een onverzettelijke houding tegenover het beleid van de vorst. Sinds 1385 hadden de Bourgondische vorsten de stad heel omzichtig aangepakt. Haar bestuurlijke autonomie was groter dan die van de andere steden in de Bourgondische Nederlanden en de belastingen voor de hertog waren er bovendien minder hoog. Sinds het bewind van Jan zonder Vrees verbleven de kinderen van de hertogelijke familie in de stad en was ook de zetel van de Raad van Vlaanderen er gevestigd. Die Raad was het bevoegde rechtscollege voor het hele graafschap. In de jaren 1440-1450 creëerden de sociale en economische spanningen en een soort traditie van contestatie, voelbaar in een deel van de ambachten, de voorwaarden voor een nieuwe opstand. Dit werd in de hand gewerkt door het feit dat de goede bedoelingen van hertog Filips de Goede tegenover de Gentenaars begonnen af te zwakken toen deze laatsten zich verzetten tegen een fiscaal hervormingsplan dat de hertog heel belangrijk vond.

De opstand brak uit in 1451 en werd aanvankelijk gekenmerkt door het geweld waarvan aanhangers van de hertog het slachtoffer waren. In de lente van 1452 kwam het tot een oorlog. Filips de Goede zette heel wat militaire middelen in om de opstandelingen te overwinnen. Zij werden overal verslagen en uiteindelijk werd hun leger op 23 juli 1453 in de slag bij Gavere verpletterd. Enkele dagen na deze ramp moest Gent zich onderwerpen. De ceremonie van capitulatie was spectaculair en de straf was er niet minder om: de stad moest een boete van 350.000 ridders betalen en verloor een groot deel van zijn privileges. Het gunstregime dat de stad sinds 1385 had genoten, leefde enkel nog voort in de herinnering.

De laatste opleving van de stedelijke autonomie viel samen met het aantreden van Karel de Stoute na de dood van zijn vader op 15 juni 1467. Enkele dagen later begon hij aan zijn ronde van de goede steden in de Bourgondische Nederlanden met het oog op zijn Blijde Inkomst. Bij deze gelegenheid braken er in Gent incidenten uit en de nieuwe hertog, verrast en boos, kon de situatie slechts redden door aan de opstandelingen het herstel van de in 1453 verloren privileges toe te kennen. Zodra hij zijn bewegingsvrijheid had herwonnen, annuleerde hij natuurlijk deze toegeving die hij onder dwang had gedaan. In januari 1469 verschenen de afgevaardigden van de stad Gent in Brussel voor hun vorst om vergiffenis te vragen en getuige te zijn van de plechtige verscheuring van hun privileges. Ook andere steden, zoals Mechelen waar er onlusten waren uitgebroken ter gelegenheid van de komst van hertog Karel, werden gestraft met de opheffing van hun privileges. Daarna kon de vorst regeren zonder vrees voor nieuwe opstanden. De stedelijke eisen voor meer autonomie waren echter allesbehalve verdwenen en van zodra bekend werd dat Karel de Stoute op 5 januari 1477 buiten de muren van Nancy was omgekomen, zouden ze opnieuw nadrukkelijk op de voorgrond treden.

Verandering en continuïteit

Maria van Bourgondië, de enige dochter en ook enige erfgename van Karel de Stoute, was twintig jaar oud toen haar vader overleed op het slagveld bij Nancy. Toen ze aan de macht kwam, heersten chaos en onzekerheid. De Franse koning Lodewijk xi wilde profiteren van de dood van Karel de Stoute en smeedde plannen om een deel van de Bourgondische bezittingen te veroveren. Om de middelen te verkrijgen om aan dit gevaar het hoofd te bieden, riep Maria van Bourgondië de Staten-Generaal van de ‘landen van herwaarts over’ samen in Gent. De bijeenkomst van de Staten in een stad met een traditie van opstanden bood de gelegenheid om het door Karel de Stoute gevoerde beleid van centralisatie in zijn geheel in vraag te stellen. Deze hertog had immers gehandeld op een wijze die in vele opzichten nadelig was geweest voor de geprivilegieerde groepen: de clerus en de bezitters van lenen hadden belastingen moeten betalen, de vrijheden en vrijstellingen van de steden waren beknot en soms zelfs op autoritaire wijze opgeheven. Onder zijn bewind was de belastingdruk tot nooit geziene hoogten gestegen. De oprichting van centrale instellingen, het Parlement en de Rekenkamer van Mechelen, werd gezien als een inbreuk op de privileges en gewoonten. De toestand in januari 1477 zou degenen die hadden geleden onder het centralisatiebeleid van Karel de Stoute, in de gelegenheid stellen om wraak te nemen.



De afgevaardigden van de Staten-Generaal erkenden Maria van Bourgondië zonder probleem als hun ‘natuurlijke vorstin’. Trouw aan het Huis van Bourgondië stelden haar onderdanen de legitimiteit van haar erfenis niet in vraag. Hun aanspraken hadden betrekking op het bestuur. Het was voor hen absoluut noodzakelijk om de privileges die de Bourgondische hertogen hadden beperkt of opgeheven volledig in ere te herstellen. Hun klachten, die de Vlaamse gedeputeerden al op 3 februari 1477 naar voren brachten, leidden tot het opstellen van een plechtig document, gekend als het Groot Privilege, dat Maria van Bourgondië eigenhandig tekende op 11 februari van hetzelfde jaar. Met dit charter verbond de hertogin zich ertoe alle privileges en gewoonten van haar landen te bevestigen. Het Parlement en de Rekenkamer van Mechelen werden opgeheven en de institutionele toestand zoals die er vóór 1473 uitzag, werd de facto hersteld. Niet alleen de financiële maar ook de politieke rol van de Staten-Generaal werd bekrachtigd en zij konden voortaan spontaan bijeenkomen wanneer ze dat nodig vonden, zonder dat ze moesten wachten op een bijeenroeping vanwege de vorst.

De toekenning van het Groot Privilege, samen met verscheidene bijzondere privileges aan de steden en vorstendommen, kon niet beletten dat het tot een confrontatie kwam tussen Maria van Bourgondië en haar onderdanen. Het oproer dat uitbrak in Gent waar twee van de naaste adviseurs van de hertogin, Guillaume Hugonet, hertogelijk kanselier, en Guy de Brimeu, heer van Humbercourt, op 3 april 1477 werden terechtgesteld, sloeg over naar andere steden, met name naar Brugge, Antwerpen en Brussel.
Geconfronteerd met deze openlijke opstand van haar onderdanen en de poging tot verovering door Lodewijk xi die het op haar erfenis had gemunt, vond Maria van Bourgondië, gesteund door Margareta van York, de derde echtgenote van haar vader, een beschermer in de persoon van aartshertog Maximiliaan i van Habsburg, de zoon van keizer Frederik iii. De beslissing over haar huwelijk met Maximiliaan, waarover lang was onderhandeld, was uiteindelijk genomen door Karel de Stoute kort voor zijn onverwachte overlijden op het slagveld bij Nancy. Het huwelijk werd in augustus 1477 ingezegend in Gent en stond borg voor de dynastieke continuïteit van het Huis van Bourgondië: al op 22 juni 1478 immers schonk Maria van Bourgondië te Brugge het leven aan een zoon die Filips werd genoemd, naar zijn overgrootvader langs moederskant. De latere aartshertog Filips de Schone was tegelijk een Habsburger en een Bourgondiër, net zoals zijn zoon, Keizer Karel.

Hoewel het dynastiek beleid van Maximiliaan i en Maria van Bourgondië een onbetwistbaar succes was, werd hun bewind ook gekenmerkt door grote moeilijkheden. Op binnenlands vlak bestond een van de doelstellingen van de aartshertog er immers in om opnieuw beperkingen op te leggen aan de privileges die zijn echtgenote in februari 1477 had bevestigd of verleend. Dit beleid ging gepaard met een toename van de belastingdruk als gevolg van de oorlog tegen de Franse koning. De combinatie van beide fenomenen had tot gevolg dat de vorst het meermaals aan de stok kreeg met zijn onderdanen in de Lage Landen. Op buitenlands vlak was de oorlog met Lodewijk xi lang en hard. Hij vergde grote militaire inspanningen van Maximiliaan van Habsburg en zijn onderdanen, maar dit kon niet beletten dat de Fransen zich meester maakten van een deel van de Bourgondische erfenis, in de eerste plaats van het hertogdom Bourgondië zelf.

Het jaar 1482 zorgde voor een keerpunt in de geschiedenis van De Bourgondische staat. In maart van dat jaar was aartshertogin Maria van Bourgondië het slachtoffer van een ongeval tijdens een valkenjacht in het bos van Wijnendale, in de omgeving van Brugge. Haar paard viel en kwam bovenop haar terecht. De dochter van Karel de Stoute werd naar haar residentie in Brugge gebracht en overleed er op 27 maart na een doodsstrijd die drie weken had geduurd. De dood van Maria van Bourgondië, gevolgd door de Vrede van Atrecht tussen Maximiliaan i en Lodewijk xi, maakte geen einde aan het Huis van Bourgondië, dat voortaan verbonden was met het Huis van Habsburg. Voortaan reikten de ambities van deze vorsten echter verder dan de Bourgondische Nederlanden en strekten ze zich uit tot het Keizerrijk, Spanje en – weldra – de Nieuwe Wereld. Een nieuw tijdperk was aangebroken.