Vlaamse Miniaturen

Opdrachtscènes aan het hof van de Bourgondische hertogen

Pascal Schandel. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

Opdrachtscènes vormen een universeel onderwerp en zijn overal te vinden waar handschriften werden gemaakt, waar er veeleisende goden of ambitieuze vorsten zijn die klaar staan om ze te ontvangen. De voorstelling van het aanbieden van een boek aan het begin van een handschrift is niet enkel eigen aan de late middeleeuwen. Men vindt ze terug in de Griekse en Byzantijnse wereld, in het Karolingische en Ottoonse milieu, in de romaanse en gotische periode, maar ook ver van onze Europese horizon. Toch is deze voorstelling het talrijkst aan het eind van de middeleeuwen, in het Frankrijk van de 14de eeuw en de Zuidelijke Nederlanden van de 15de, onder het mecenaat van de koningen en hertogen uit het Huis Valois. Deze bloei komt overeen met een literaire explosie van nieuwe werken, vertalingen of prozabewerkingen, die vaak vergezeld zijn van een opdracht aan de vorst.
Deze verschijnen haast uit het niets aan het Bourgondische hof, in de tweede helft van de regering van Filips de Goede, wanneer de hertog, vijftig jaar oud, grote bestellingen doet voor literaire werken. De eerste echte opdrachtscène die Filips ten tonele voert, is iets ouder en heeft merkwaardigerwijs geen direct verband met hem.




Deze scène werd ca. 1443 geschilderd in Savoye om de Champion des Dames te illustreren (Brussel, KBR, ms. 9466, f. 1r) een tekst die Martin Le Franc, proost van Lausanne, aan hem had opgedragen. De overige opdrachtscènes stammen alle uit eigen territoria en zijn ze gerealiseerd, net als de literaire werken die ze illustreren, in het Bourgondisch milieu onder strikte controle van de hertog. Ontstaan dichtbij de zetel van de macht, vormen de frontispices van de Chroniques de Hainaut (Brussel, KBR, ms. 9242, f. 1r), de Girart de Roussillon (Wenen, ÖNB, ms. 2549, f. 6r) en de Histoire d’Alexandre (Parijs, BNF, ms. fr. 9342, f. 5r), alle geschilderd tussen 1446 en 1448, een exemplarische trias, die een genre creëert en een code bepaalt waarvan de ideologische fundamenten een opeenvolging van niveaus en motieven veronderstellen.

'Een portretgalerij'

Zo kwalificeerde Léon Delaissé de frontispice van de Chroniques de Hainaut, waar de figuren inderdaad keurig naast elkaar zijn geplaatst zodat men hun gezichtsuitdrukking kan herkennen. Maar hun mond is dicht, hun blik star en hun lichaam stijf. Hun houding is afgemeten, want het geschenk is niet spontaner dan dat de inhoud van het werk literair is. Het werk heeft betrekking op de Bourgondische macht. De kunstenaar is vertrouwd met het hof en schetst een portret van de voornaamste persoonlijkheden aldaar. Zijn meesterschap is groot, te groot zelfs voor een miniaturist. Men kent overigens geen andere miniaturen van Rogier van der Weyden, maar hij schilderde het portret van verscheidene van deze personages op paneel en de vergelijking laat toe zowel hen te identificeren als de miniatuur toe te wijzen.
‘De hertog is recht als een riet’, zei Georges Chastellain. Het portret dat de schilder en de schrijver geven is vooral van morele aard. De onbeweeglijkheid van de hertog legt zichzelf op aan zijn omstanders en verplicht hen tot een zelfde strakheid. Filips ontvangt onbewogen de hommage die men hem geeft en hij strekt zelfs zijn handen niet naar het boek uit. De hamer, teken van macht, in de vingers van zijn rechterhand, staat dat in de weg. Zijn andere hand rust op de degen. Het geschenk dient als voorwendsel om zijn waardigheid voor te stellen en hij kan daar derhalve niet van afwijken.
Dicht bij Filips leunt Rolin op de armleuning van de troon, terwijl Chevrot naast hem zijn handen vouwt. De eerste, net als zijn soeverein met een zwarte kaproen, draagt een blauw gewaad, dat aan de gordel strak ingesnoerd is en een buidel bevat. De tweede is gekleed in een rode soutane. Hun houding en kleding geven aan wat ze zijn, maar enkel hun gezicht onthult hun echte identiteit. Het massieve en vierkante gezicht van de kanselier en het wekere gelaat van de bisschop stemmen perfect overeen met de al genoemde schilderijen van Rogier van der Weyden. Rolin bewaart, als kanselier, de zegels. Hij waakt over de redactie van de hertogelijke akten en hun toepassing. Hij staat aan het hoofd van de kanselarij, maar eveneens van de hofraad en leidt deze in Filips’ afwezigheid. De nieuwe ‘beambten’ leggen in zijn handen de eed af. Zijn functies gaan veel verder dan in zijn benoemingsbrief omschreven is. Het vertrouwen dat in hem gesteld wordt, geeft hem alle macht. Volgens de uitdrukking van Henri Pirenne is hij een ‘eerste minister’, volgens een andere van Pierre Cockshaw een ‘vicehertog’. De kroniekschrijvers merkten het al op. Rolin leunt aan Filips’ rechterhand op de armleuning van de troon: die familiariteit is hem toegestaan. Op deze plaats lijkt hij mede te presideren, een rol die inderdaad de zijne was.
Wanneer hij afwezig is voor een van zijn vele reizen, vervangt Chevrot hem aan het hoofd van de raad. Met uitzondering van het bewaren van de zegels beschikt de bisschop van Doornik dan over dezelfde prerogatieven. Logischerwijze staat hij naast Rolin, op kleine afstand van de hertog. Hij vertoont geen enkel bisschoppelijk sieraad of ceremonieel gewaad. Zijn rode kleding, schoudermantel en kalot vormen zijn gewone kledij. Hij is aanwezig als ‘administrator’ net als Rolin. Beide hebben ze toezicht op de financiën die zijn toevertrouwd aan specialisten die op grond van hun bekwaamheid tot de raad horen.
Achteraan vergezelt een derde persoon Rolin en Chevrot in de Chroniques de Hainaut en de Girart de Roussillon. Zijn schedel is kaal, zijn voorhoofd gerimpeld en zijn neus plat. Op zijn rechterwang heeft hij een wrat. Waarschijnlijk gaat het hier om Guy Guilbaut. De identificatie is hier echter gemaakt op basis van deductie. Deze man begon zijn carrière onder Filips de Stoute, zette ze verder onder Jan Zonder Vrees en bereikte zijn hoogtepunt in dienst van de derde hertog van Bourgondië. Zijn hoge ouderdom en zijn opklimmen op de hiërarchische ladder zijn opmerkelijk. Hij stapelt taken en eerbewijzen op. Op het moment van de stichting van de orde van het Gulden Vlies (1430) is hij de schatmeester hiervan, op hetzelfde moment is hij gouverneur-generaal van alle financiën en hij sluit zijn loopbaan af als eerste meester van de rekenkamer van Rijsel. Hij ontvangt de eed van de nieuwe ambtenaren in zijn handen als vervanger van de kanselier. Men weet dat hij in 1446 heel actief was. Hij overlijdt in de loop van het volgend jaar. Dat zou verklaren waarom hij verdwijnt in de andere miniaturen die op de Chroniques de Hainaut teruggaan. Bijkomend detail: hij was zelf ook bibliofiel.
Achter Rolin en Chevrot staat hij op zijn juiste plaats. De bisschop, de kanselier, de eerste meester van de rekenkamer vormen een emblematisch driemanschap. De religieuze, politieke en financiële instellingen worden zo geïncarneerd in hun meest eminente vertegenwoordigers. Deze drie mannen staan in feite aan het hoofd van de organisatie van de Bourgondische staat. Hun opgang is typisch voor de juristen in die periode. Zij nemen deel aan de macht die zij als hun roeping dienen. Tegenover hen vormen de ridders van het Gulden Vlies een broederschap die de elite van de adel samenbrengt. Hun groot aantal is vanzelfsprekend. Grote heren, zijn zij vooral militairen. Daarentegen lijken de ridders aan de linkerhand van de hertog alle uit dezelfde mal te komen: hun individualiteit lijkt van minder gewicht dan hun voorkomen als groep. Tussen hen ziet men nochtans Karel de Stoute. De opdrachtscène van de Histoire d’Alexandre (Parijs, BNF, ms. fr. 9342, f. 5r) herneemt exact dezelfde personages uit de omgeving van de hertog. Enkel Guilbaut, die overleden is, is uit de miniatuur verdwenen. Karel de Stoute is gegroeid.

De enscenering van de Raad

Degene die het handschrift overhandigt, biedt zich aan aan een beperkte bijeenkomst die uit wel gekozen personen bestaat. De enige instelling op dit niveau met deze samenstelling kan de raad zijn geweest waarbij uiteraard zowel de kanselier als het hoofd van de raad aanwezig zijn. De scène is gesitueerd in de troonzaal.
Abstractie gemaakt van Karel de Stoute, biedt de miniatuur een volmaakt en ideaal beeld van de raad. Filips zit voor, Rolin en Chevrot nemen beide deel en het administratief personeel van tweede rang is afwezig, evenals de lagere adel. De raad is hier voorgesteld zonder de personen die er slechts bij gelegenheid deel van uitmaken. Deze instelling heeft namelijk een variabele omvang al naargelang de omstandigheden. De raad begeleidt de hertog bij zijn verplaatsingen. Afhankelijk van het gevolgde parcours en de bezigheden van ieder lid afzonderlijk blijven sommigen weg en zijn anderen tijdelijk aanwezig. Lokale heren en magistraten kunnen worden opgeroepen om er even deel van uit te maken. Tal van vooraanstaande lieden laten zich voorstaan op de titel ‘raadsheer’. Om aan dit al te grote losse karakter en aan de nadelen van de daarmee samenhangende rotatie het hoofd te bieden had de hertog enkele ridders met de minder frequente titel ‘kamerheer-raadsheer’ permanent aan zijn huishouding verbonden. Hoewel in de praktijk ook hun aantal wisselde, vormden zij toch, samen met de juristen, een soort harde kern die de lopende zaken behartigde en opvolgde. De kunstenaar heeft de raad nu onder deze, enge, vorm voorgesteld, maar deze ideale raad is daarom nog geen eenvoudige abstractie. Omdat deze raad dagelijks samenkwam, heeft hij vaak in deze gereduceerde gedaante gefunctioneerd, als een kabinet. De namen van de raadsheren die onder de hertogelijke besluiten staan die in de raad werden genomen, bewijzen dat heel duidelijk. De ‘kamerheer-raadsheren’ zijn, in tegenstelling tot de gewone raadsheren die vaak afkomstig zijn uit de patriciërsstand, bijna allen ridders van het Gulden Vlies. De schilder geeft dit feit weer.
De deelname van Karel de Stoute (nog bijna kind) aan de raad was niet voorzien en is ook niet waarschijnlijk. Zijn aanwezigheid in deze afbeelding is symbolisch. Waar kan hij beter dan in de raad als de erkende opvolger van zijn vader worden voorgesteld?

Onder Filips de Goede vergrootte de verwerving van nieuwe territoria, samen met de welstand van de gewesten die hij van zijn vader geërfd had, de taken van de raad en maakte ze deze complexer. De hertog veranderde geleidelijk en op grond van ervaring het functioneren ervan. In 1433 werden de bijeenkomsten voor de eerste maal dagelijks. De zitting vond niet meer plaats omdat de hertog dat wilde of omdat de omstandigheden dat vereisten. De vorst zat deze permanent geworden instelling slechts twee keer per week voor. De kanselier of zijn plaatsvervanger regelde de lopende zaken. Anderzijds leed de raad onder een sterk absenteïsme. Sommige raadsheren zagen er tegenop om zich te verplaatsen of waren op een officiële missie, anderen vervulden, ver van het hof, een taak waarmee ze waren belast en waardoor ze ten minste virtueel tot de raad behoorden. Om aan dit slecht functioneren een eind te maken legde Filips in augustus 1446 een nieuwe ordonnantie vast. Op dat moment was de vertaling van de Chroniques de Hainaut in volle gang.  Hij legt voor de eerste maal een quorum vast en als dat niet bereikt wordt, kan de raad niet samenkomen. De beschikbare raadsheren worden met meer aandrang opgeroepen, moeten acte de présence geven en de hertog begeleiden, behalve wanneer deze hun in zijn afwezigheid zijn gezag delegeert.
Philippe réaffirme le rôle consultatif, mais indispensable du conseil. Filips bevestigt de adviserende, maar onontbeerlijke rol van de raad. Elke kwestie moet verplicht voor deze instelling behandeld worden om na discussie aan hem te worden voorgelegd: de hertog heeft de raad laten voorstellen zoals hij deze had gereorganiseerd en wilde laten functioneren. In zekere zin voert de miniatuur de ordonnantie op symbolische wijze uit. Ze vormt een nieuw genre op basis van de oude presentatiescène.
De miniaturen die op de Chroniques de Hainaut geinspireerd zijn, leggen de nagenoeg contemporaine institutionele wijzigingen vast.

'Par la grâce de Dieu'

Bij het verdrag van Atrecht (1435) ontsloeg de Franse koning Karel vii (naast andere concessies) Filips de Goede van de leenhulde. Desondanks misnoegde het hem toen hij in 1445 constateerde dat Filips zich bij elke gelegenheid betitelde als ‘hertog bij Gods genade’. Deze formule komt toe aan de koning die door zijn kroning een gewijd persoon geworden is, met een unieke positie en enkel van God afhankelijk: gebruikt door de hertog en diens administratie wordt dit een iets te duidelijk teken van emancipatie. In 1446 tekent Karel vii protest aan bij Filips. Deze verdedigt zich: de vorsten van het Heilig Roomse Rijk gebruiken allen deze formule en de voorgangers van Filips in Brabant, Limburg en Henegouwen deden dat dus ook. Filips zegt dat hij deze titel voor al zijn bezittingen gebruikt om niet meer roem te ontlenen aan zijn gewesten uit het Heilig Roomse Rijk dan aan die in het koninkrijk Frankrijk. Na moeilijke onderhandelingen kent de koning per patente brief (28 januari 1449) dit recht toe, dat hij overigens toch niet in staat was te ontnemen.
Tijdens deze periode koestert de hertog het idee om een deel van zijn gewesten tot een zelfstandig koninkrijk te maken. Zijn vertegenwoordiger en die van de keizer voeren in 1447 besprekingen dienaangaande in Wenen maar de onderhandelingen lopen op niets uit. Bij die gelegenheid droomt de hertog voor het eerst van een groot koninkrijk Lotharingen en hij neem geen genoegen met een konigstitel enkel voor Brabant, zoals men voorstelt.
In deze dubbele context geeft Filips de opdracht voor de Chroniques de Hainaut, de Girart de Roussillon en de Histoire d’Alexandre, waarbij hij de raad die hij net had hervormd, laat afbeelden om op die wijze het beeld te bieden van een soevereine vorst. In de Chroniques de Hainaut verschijnt de uitdrukking die de Franse koning zo ergert, volledig, meteen onder de frontispice en voorafgaand aan alle titels. Er bestaat een nauw verband tussen de discussie die de hertog tegenover zijn soeverein plaatst en het verschijnen van de opdrachtscènes aan het Bourgondische hof. Ze ontkrachten in feite de verzekeringen van trouw van Filips en zijn gevolg ten overstaan van de koning.
De ambities van Karel de Stoute blijken ook zonneklaar. In een ander werk over Alexander de Grote blijkt de band tussen de kwestie van de titulatuur (en daardoor die van de soevereiniteit) en de opdrachtscènes die aan het Bourgondische hof zijn ontstaan. De opdrachtscène in de Historia Alexandri Magni (Parijs, BNF, ms. fr. 22547, f. 1r), door Vasco de Lucena voor Karel de Stoute vertaald, toont op het blauwe baldakijn boven de troon de omstreden formule in gouden letters: ‘Charles par la grâce de dieu duc de Bourgogne’, waarbij, door plaatsgebrek, enkel het hertogdom Bourgondië vermeld wordt. Maar dat betekent ook dat Karel geen enkel voorbehoud maakt en niet eens beroep doet op zijn hoedanigheid van vorst in het Heilig Roomse Rijk, om zich deze titel toe te eigenen. Hij gebruikt hem zonder de (formele) bewijzen die zijn vader nog leverde.  Waar Filips die uitzonderlijk was vrijgesteld van de leenhulde voor Karel vii, die toch aan Lodewijk xi bracht, ontving de laatste deze hulde nooit van Karel de Stoute. De formule in de miniatuur is duidelijk en vereist niet eens meer de afbeelding van de raad.

De identiteit van de schenker: Simon Nockart

Normaal herkent men in een opdrachtscène de auteur of de vertaler van het aangeboden boek in de persoon van de schenker. De kentrekken van de man die de Chroniques de Hainaut aan Filips de Goede aanbiedt, lijken in feite niet op de twee portretten van Wauquelin van wie we dank zij de archiefstukken weten dat hij de vertaler is.
Hij treedt terug voor een derde persoon: Simon Nockart, die aan de basis lag van de vertaling, en dus ook van de schenking
Na diplomatieke onderhandelingen en tal van politieke maneuvers wist Filips de Goede zich ten koste van Jacoba van Beieren, de wettige erfgename van Henegouwen, in opeenvolgende etappes meester te maken van het graafschap. De abdicatie van zijn verwante bekroonde in 1433 zijn pogingen. De graafschappen Holland en Zeeland, alsmede de heerlijkheid Friesland waarvan de graven van Henegouwen sinds 1299 de soevereinen waren, vielen ook in Filips’ schoot. Maar deze legitimiteit was in feite enkel aan omstandigheden te danken. In deze context krijgt het frontispice van de Chroniques du Hainaut zelfs dertien jaar later een grote politieke betekenis. In dit licht is Simon Nockart, ‘eerste klerk van het baljuwschap Henegouwen’ degene die het werk aanbiedt. Het ambt dat hij sinds 1410 vervulde en dat hij ondanks de moeilijke opvolging in het graafschap behield, was in 1331 geschapen, tegelijkertijd als het zegel dat hij onder zijn hoede had. Als degene die de besluiten die de graven van Henegouwen in hun raad genomen hadden moest bezegelen, was hij een belangrijk lid van deze instelling. Voor Filips is het vooral een politieke kwestie: zijn volledige soevereiniteit over dit gewest wordt nu erkend en gevierd door een van zijn vertegenwoordigers die nu zijn raadsheer is geworden. De schenking door Simon Nockart is een gelofte van trouw aan zijn eigen persoon en een teken van steun aan zijn politiek, in het verleden en op dit moment. In dit geval heeft de schenking van het handschrift de waarde van een leenhulde. De betekenis van de schenking wordt steeds rijker en de identiteit van Nockart steeds zekerder als men bedenkt dat de miniatuur de hofraad voorstelt. We zien hier het volledige Bourgondische centraliserende institutionele systeem. Het onderwerp van de miniatuur is de geslaagde integratie van Henegouwen in de Bourgondische landen en tegelijk de rechtvaardiging daarvan. Het wapen van Henegouwen, samen met de wapens van de andere bezittingen van de hertog, bevinden zich, zoals al is gezegd, in de randdecoratie van dit blad.

De afwijkingen van het model

Het Tractaat over het Onze-Vader (Brussel, KBR, ms. 9092, f. 1r) in 1457 voor de hertog van Bourgondië uit het Latijn in het Frans vertaald door Jean Miélot, is verlucht door Jan De Tavernier. Het handschrift opent met een opdrachtscène die aan een geheel andere logica beantwoordt. Deze scène speelt zich af in een minder plechtige slaapkamer en niet in de troonzaal. De ruimte is opener: een venster ziet uit naar buiten en een deur opent zich naar een ander vertrek waar de getuigen van deze scène samenstromen. Een enthousiasme bezielt de groep hovelingen die niet allemaal de moeite genomen hebben om hun hoofd te ontbloten. A parte’s zijn toegelaten. De handen vinden hun gebruikelijke beweeglijkheid terug en de bewegingen van het hoofd hun expressieve rijkdom. Voor de eerste keer spreken Rolin en Chevrot met elkaar: zij doen als enigen nog denken aan de Chroniques de Hainaut,. Aan de gordel van de bisschop hangt, wat zeer uitzonderlijk is, een beurs. Hij houdt ook een akte vast, het normale attribuut van een kanselier. Hij is meer betrokken in de schenking van het handschrift dan de anderen. Het vrome boek hoort tot zijn domein en Miélot, kanunnik in Rijsel, hangt af van zijn bisdom. Misschien wil hij Miélot voorstellen of bedanken. Filips de Goede zou zonder het Gulden Vlies onherkenbaar zijn. Hij is de enige die de keten draagt. Zijn ontspannen houding en zijn jeugdiger gezicht hebben niets gemeen met de miniatuur in de Chroniques de Hainaut. Hij is niet langer onbeweeglijk, maar reikt zijn handen naar het boek. De hazewind aan zijn voeten, die de trouw symboliseert die men van raadsheren verwacht, is verdwenen, want de bijeenkomst heeft een heel ander karakter. De scène wordt anekdotisch, beperkt zich tot de handeling en de gemoedelijker atmosfeer is toe te schrijven aan de aard van de tekst. Deze houdt zich niet bezig met vragen van macht en de uitoefening daarvan of met de veroveringen van Filips de Goede. Onder die omstandigheden wordt het verschil met het patroon uit de Chroniques de Hainaut mogelijk, zelfs noodzakelijk. Het beeld van de raad is niet aan de orde. Dit verklaart ook de eenvoud van de randversiering.