Vlaamse Miniaturen

Een gunstige context

 

 

In het midden van de 15de eeuw telde het graafschap Vlaanderen 700.000 inwoners van wie een derde in de steden leefde. Een stedelijke concentratie zonder weerga in het toenmalige Europa. De steden in de Zuidelijke Nederlanden trokken de beste handwerkslieden aan, hun havens konden nauwelijks de hoeveelheid koopwaar die elke dag aankwam, verwerken. In deze context van economische welstand werden de Zuidelijke Nederlanden, met het graafschap Vlaanderen op kop, een haard van intense artistieke activiteit.


Ambachten en gilden

Brugge, Gent, Doornik, Rijsel, Brussel… de grote steden in de Zuidelijke Nederlanden garandeerden een hoog technisch niveau die vereist was voor de productie van luxegoederen dankzij aan een concentratie van know-how en een politiek van strenge controle. Deze controle was de taak van de gilden.
De gilden waren solidariteitsverenigingen die de gemeenschappelijke belangen van de leden van een groep, handwerkslieden of handelaars, beschermden. Zij ontstonden eerst in Noordwest-Europa vooraleer zich in de 10de en 11de eeuw over heel het continent te verspreiden, tegelijk met de ontwikkeling van commerciële banden. De ambachtsgilden ontstonden in de 12de eeuw en stonden in voor de controle van de kwaliteit van de producten en de bescherming van de markt. Deze controle had betrekking op het atelier van de meester-ambachtsman, maar ook op de uitwisseling van bekwaamheden tussen verschillende werkplaatsen die aan de vervaardiging van eenzelfde product samenwerkten.
Terwijl in het toenmalige Italië Venetië en Genua in frontale concurrentie waren, vormden de steden in Noord-Europa handelsbonden - de Hanzen -, die uit verschillende stedelijke gilden bestonden, van verscheidene steden of gericht op dezelfde markt. Zij wapenden zich zo ook tegen de risico's van de handel doordat ze de ondersteuning van buitenlandse autoriteiten verwierven.

In de 13de eeuw verdwenen de meeste gilden toen de economische groei nieuwe structuren van wederzijdse steun oplegde, namelijk de ambachten. Deze groepeerden handelaars of handwerkslieden van eenzelfde ambacht. Voor de burgerij was dit de gelegenheid om een netwerk van horizontale solidariteit in het leven te roepen in een wereld die uitsluitend functioneerde langs de verticale steun van de feodale banden.
Met steun van de stedelijke autoriteiten probeerden deze beroepsorganisaties de handwerkslieden te controleren en te beschermen. De leden waren verzekerd van het monopolie van hun activiteit en de exclusiviteit van de markt in de stad in ruil voor een reglementering van het productieproces, de werktijden en het salaris. Toch berustten deze instellingen op een strikte hiërarchie (meesters, gezellen en leerjongens) en de meeste verantwoordelijken lieten enkel de zonen van een meester ook tot het meesterschap opklimmen.

Men heeft het positieve effect kunnen vaststellen van het Sint-Lucasgilde, een zeer actief gilde, dat verscheidene sectoren omvatte, nl. schilders, miniaturisten, goudsmeden, beeldsnijders, glasschilders, borduurwerkers enz., in de 15de eeuw in Brugge en in de 15de en 16de eeuw in Antwerpen. Dergelijke verenigingen droegen er inderdaad toe bij de kosten van de transacties te drukken dankzij de organisatie en de regulatie van de markten. In dit kader werd bovendien de technische know-how in de kleine werkplaatsen overgedragen. De vorming en de leertijd in het kader van een corporatieve vereniging maakten integraal deel uit van het cuktureel productieproces. Toch vonden sommige kunstenaars de reglementering van de gilden te streng en dwingend. Zo vestigde De Tavernier zich in een kleine stad, Oudenaarde, een soort 'vrije zone' tussen Gent en Doornik waar hij zijn activiteit in alle vrijheid kon ontplooien.

Uitwisseling en mobiliteit van de Zuid-Nederlandse kunstenaars

De korte afstanden in de Lage Landen en de uitstekende verbindingen, vooral die te water, hebben het ontstaan van stedelijke netwerken in Vlaanderen, Brabant, Henegouwen enz. in de hand gewerkt. De activiteiten van de kunstenaars en hun relatie tot de opdrachtgevers bleven niet beperkt tot het gebied binnen de afzonderlijke vorstendommen. De kunstenaars onderhielden onderling contact en konden zich gemakkelijk in een andere stad vestigen. Eenmaal ergens gevestigd en aanvaard, bleef men zelden definitief daar: een grote mobiliteit kenmerkte de sector van de luxe-ambachten. 'Vlaamse' kunstenaars waren talrijk in Spanje en Italië of in de Hanzesteden. Een internationaal commercieel circuit met Brugge als het onomstreden centrum in de 14de-15de eeuw met 469 nieuwe meesters tussen 1456 en 1550 in het schildersambacht. Dankzij hun uitzonderlijk stedelijk netwerk vormden de Lage Landen inderdaad een kweekvijver en ideale aantrekkingspool voor kunstenaars van alle disciplines. een dergelijke bloei was enkel mogelijk in een welvarende en goed ontwikkelde economie die gekenmerkt was door een hoge graad van integratie, een verbinding met de internationale commerciële netwerken en een accumulatie van kapitaal, voornamelijk door de destijds in Vlaanderen bloeiende lakennijverheid.

Ondanks de grote variatie in de positie van de gilden in de steden in de Nederlanden blijkt er de facto een zekere gelijkwaardigheid in de graden van competentie te zijn erkend. Dit bevorderde de mobiliteit. Niets belette een leerling om zijn vorming bij een ‘buitenlandse’ leermeester te genieten zodat hij van deze ervaring in om het even welke stad profijt kon trekken. adat ze eenmaal het meesterschap hadden verworven, vervolgden de miniaturisten niet noodzakelijkerwijs hun carrière in de plaats waar ze hun opleiding hadden genoten. De meest ondernemenden aarzelden niet om een afzetgebied te vinden in streken met meer kansen dan hun thuisbasis. Bij hun migratie droegen ze de bagage die ze op lokaal niveau hadden verworven met zich mee, waardoor ze aan de uitstraling hiervan bijdroegen. Diegenen wier talent in brede kring erkend werd, waren er uiteraard ook toe geneigd om zich naar centra te begeven waar ze zich verzekerd konden voelen van opdrachten op hun niveau.
Socio-economische motieven vormen niet noodzakelijk de enige verklaring voor de bewegingen van de kunstenaars. Politieke omstandigheden kunnen eveneens beslissend zijn geweest. Het hof kan eveneens een verbindend element zijn geweest en heeft misschien bijgedragen tot de vermenging van stijlen. De hertogen van Bourgondië recruteerden hun miniaturisten duidelijk onder de beste kunstenaars die in hun territoria actief waren. Grote opdrachten zoals de Chroniques de Hainaut of de Roman d’Alexandre impliceerden de samenwerking van kopiisten en miniaturisten die in verschillende steden actief waren, in dit geval Bergen, Brugge en Brussel.