Vlaamse Miniaturen

De productiecentra

Naar Dominique Vanwijnsberghe. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

Frankrijk – en vooral Parijs – was tot het begin van de 15de eeuw een artistiek centrum geweest van de eerste orde, maar vanaf de jaren 1440-1450 gingen de verschillende gebieden die onder het gezag van de hertogen van Bourgondië waren gekomen het epicentrum vormen van de productie en vernieuwing van het verluchte handschrift. De centra voor het maken van handschriften namen vanaf dan snel toe in Valenciennes, Bergen, Doornik, Oudenaarde, Hesdin, Leuven en Brussel, om nog maar te zwijgen van Gent en vooral Brugge.


Het zenuwcentrum van de productie van verluchte handschriften in de Zuidelijke Nederlanden is zonder enige twijfel Brugge. Vanaf de jaren 1380-1390 getuigt de hoeveelheid verluchte handschriften uit het Venetië van het Noorden van de reputatie en de vitaliteit van deze draaischijf van de internationale handel, van dit kosmopolitisch milieu waar luxegoederen geproduceerd én verhandeld worden. Hier ook concentreren zich de meeste groepen miniaturisten die men als ‘pre-Eyckiaans’ betitelt. Geconfronteerd met een stijgende vraag werken zij gerationaliseerde procedures uit die hen in staat stellen hun productiesnelheid op te voeren. De generatie die na hen volgt, zal dezelfde werkmethoden toepassen. Ook al put zij voor de composities bij haar voorgangers, toch ziet ze af van de eerdere vrijheid van uitvoering, die niet geheel vrij was van een zekere grofheid, om weer bij de idealiserende tendens van de Parijse miniatuurkunst aan te sluiten. De Meesters van de goudranken geven toe aan de tendens tot ‘formule’ en ontwikkelen een conventionele en repetitieve kunst op hetzelfde moment dat een revolutie zonder weerga in de Westerse schilderkunst de internationale gotiek omwoelt, met vernieuwers van het kaliber als Robert Campin, Jan van Eyck en Rogier van der Weyden. De invloed van Van Eyck is in de Brugse miniatuurkunst voelbaar, maar het gaat daarbij om een randfenomeen dat, tenminste kwantitatief, niet met de overvloed van handschriften in de Goudrankenstijl kan wedijveren.
Onder wat men is gaan noemen het ‘actieve mecenaat’ van Filips de Goede geven de Brugse miniaturisten blijk van grote activiteit. De afzetmogelijkheden zijn zo groot dat vreemdelingen zich in de stad vestigen of er in ieder geval proberen hun productie aan de man te brengen.
Willem Vrelant en zijn navolgers de Meester van de Vraie cronicque descosse of de Meester van de Kroniek van Pisa, zijn voornaamste concurrent de Meester van de Alexandre van Wauquelin, Loyset Liédet, en, in zijn voetspoor, de Meester van Antoon van Bourgondië of de Meester van de Hiero, de onlangs 'ontdekte' Meester van de spraakzame handen, erfgenaam van Liédet, evenals de Meester van Margaretha van York, de Meester van de Kroniek van Engeland of nog Philippe de Mazerolles… al deze miniaturisten maken deel uit van een omvangrijk professioneel netwerk en werken geregeld met elkaar samen. Alle tot nu toe vermelde schilders zijn aan het slot van hun carrière op het moment dat zich in de Zuidelijke Nederlanden de ‘Gents-Brugse’ stijl ontwikkelt als een laatste vorm van het Vlaamse realisme voordat de miniatuurkunst als artistiek medium verdampt. In het ontstaan van deze nieuwe stijl spelen de Brugse schilders een hoofdrol. Deze stijl zelf kenmerkt zich door randversieringen in trompe-l’œil en tableaux die in gedetailleerdheid met de paneelschilderkunst rivaliseren. Tot deze opmerkelijke overgangsgeneratie horen getalenteerde schilders als de Meester van het Gebedenboek van Dresden en de Meester van Edward IV.

Deze stortvloed van noodnamen illustreert goed de paradox van de situatie in Brugge. Men kan een aanzienlijk aantal handschriften in deze stad lokaliseren, tal van miniaturisten zijn er actief en het is een van de best gedocumenteerde steden in de Zuidelijke Nederlanden. En toch, ondanks deze overvloed aan gegevens, is het slechts enkele malen mogelijk gebleken om werken aan gedocumenteerde kunstenaars toe te schrijven.

In Gent, een van de meest bevolkte steden van de Lage Landen, zijn miniaturisten betuigd vanaf het eind van de 14de eeuw. Waarschijnlijk werd binnen de muren van Gent voor Jan Zonder Vrees een schitterend getijdenboek ten gebruike van Rome gemaakt (Parijs, BNF, ms. n.a.l. 3055). De schilder hiervan, zeer beïnvloed door de ‘pre-Eyckiaanse’ kunst uit Brugge, vormt de eerste schakel in een keten miniaturisten die langs de Schelde, wellicht vanuit Gent, actief zijn: de Meesters van Guillebert de Mets en hun navolgers, de Meester van de Privileges van Gent en Vlaanderen en de Meester van het Gentse graduale. In Gent ook begint Lieven van Lathem zijn carrière en hier trekt hij de aandacht van de hertog van Bourgondië. Hij werkt samen met een uitzonderlijk begaafd kalligraaf, Nicolaas Spierinc, die eveneens in Gent gevestigd is. Ook andere miniaturisten met talent werken op hetzelfde moment in Gent, zoals de (Weense) Meester van Maria van Bourgondië die de traditionale grenzen van de layout doet springen door de bladzijde in één ruimtelijke contunuïteit op te stellen, of de Meester van de Stichtelijke traktaten wiens karakteristieke marges in verschillende Gentse handschriften te herkennen zijn en als aanwijzing voor de lokalisering kunnen dienen. Helaas beschikt Gent niet over middeleeuwse lijsten van miniaturisten die daarom op basis van onderzoek in het stadsarchief moeten worden gereconstrueerd.

Doornik, de stad van Robert Campin en Rogier van der Weyden, heeft een aanzienlijke hoeveelheid documenten bewaard over de activiteit van miniaturisten, maar deze werden tot nog toe slechts gedeeltelijk benut. Tot op heden werden enkel de jaren 1380-1420 grondig bestudeerd, rond de persoonlijkheid van een in de stukken vermelde miniaturist, Jean Semont.

Jan de Tavernier, een van de favoriete miniaturisten van Filips de Goede, werkt in Oudenaarde, tussen Gent en Doornik. Oudenaarde had, wellicht vanwege zijn kleine omvang, geen gilden die het werk van de kunstambachten konden reguleren. In deze 'vrije zone' had De Tavernier dan ook alle mogelijkheid om zijn activiteiten te ontplooien, met name voor het hof, zonder zich om deze dwingende reglementen te moeten bekommeren.

Jean Miélot, kanunnik van de Saint-Pierre in Rijsel, in Waals-Vlaanderen, een van de zetels van het Bourgondisch bestuur, doet geregeld beroep op De Tavernier. Als stad van griffiers en kopiisten brengt Rijsel heel wat handschriften op papier voort die met tekeningen in inkt, opgehoogd met kleur, zijn versierd. Onder deze verluchters vallen enkele anonymi op, zoals de Meester van Wavrin, de Meester van de Champion des dames of de Meester van de geleliede grisailles. Deze originele kunstenaars laten hun verbeelding de vrije teugel, mogelijk bevrijd van elk soort dwang vanwege het goedkope papier en de eenvoudige maar efficiënte techniek die ze gebruiken. Men kent ook een productie op perkament, zoals blijkt uit het werk van de Meester van het Gulden Vlies van Wenen en Kopenhagen.

Rogier van der Weyden domineert in Brussel. De grootmeester van de Vlaamse schilderkunst heeft zich in het frontispice van de Chroniques de Hainaut (Brussel, KBR, ms. 9242), een heus 'miniatuurschilderij', aan de miniatuurkunst gewaagd. Zijn invloed was groot, met name op de Meester van de Girart de Roussillon. In Brussel werkte ook Jean Hennecart, kamerdienaar van Karel de Stoute. Maar het hof neemt slechts een klein segment in Brussel in. De stad telt ook burgers die handschriften nodig hebben om te bidden, zich te vormen of te vermaken of om hun zaken te behartigen. Getijdenboeken ten gebruike van deze Brabantse stad en verluchte documenten voor burgerlijke en religieuze instellingen maken hun opwachting.

In Henegouwen wordt Bergen een belangrijk centrum van vertaling, compilatie en kopieeractiviteit, dank zij Jean Wauquelin. Vanaf 1446 tot aan zijn dood in 1452 levert Wauquelin enkele fundamentele teksten van de bibliotheek, zoals de Chroniques de Hainaut (Brussel, KBR mss. 9242, 9243 en 9244), de Girart de Roussillon, de Roman d’Alexandre (Parijs, BNF, ms. fr. 9342) en de vertaling van De regimine principum van Aegidius Romanus (Brussel, KBR, ms. 9043). Hij werkt samen met een eveneens uit Picardië afkomstige kopiist, Jacquemart Pilavaine. In de buurstad Valenciennes werkt een bekwaam vakman als Marc Caussin. Zijn voornamelijk lokale activiteit verbleekt bij de aankomst van Simon Marmion uit Amiens die de stad tot een belangrijk artistiek centrum verandert. Vanuit zijn atelier in de Rue Notre-Dame werkt Marmion voor de Bourgondische elite en de hertog zelf. Zijn nalatenschap in Henegouwen is aanzienlijk.

Wij weten heel weinig over de miniatuurproductie in Antwerpen, Leuven of Luik, al hebben steden van hun omvang en belang wellicht miniaturisten geteld. Soms bestaan er lijsten van kunstenaars, maar deze moeten nog nader bestudeerd worden.

Toch kan de activiteit van de verluchters niet binnen de stadsmuren beperkt blijven. Contacten en uitwisselingen, zowel van talenten als van stijl, waren zo frequent in de Bourgondische Nederlanden dat de handschriften uit dit geografisch geheel een zekere familieverwantschap delen.