Vlaamse Miniaturen

Atelier van de meester

Naar Marc Boone, Céline Van Hoorebeeck en Bernard Bousmanne. Volledige teksten in de catalogus van de tentoonstelling.

 

Doorgaans werkte men collectief in een atelier, vaak aan verschillende bestellingen tegelijkertijd en bovendien circuleerde een bestelling tussen verschillende gespecialiseerde ateliers, naar het model van het putting-out systeem dat in vele economische sectoren valabel was. Dit laatste was zeker ook het geval voor de productie van verluchte handschriften: naast scribenten en boekbinders, waren er nog meerdere erg gespecialiseerde ambachtslieden aan het werk. Ook recuperatie van bestaand materiaal of het inlassen van elders vervaardigd en aangekocht schilderwerk op perkament kwam voor.


Vanaf het eind van de jaren 1440 en in de jaren 1450 vindt de productie van boeken voor Filips de Goede op grote schaal plaats. Heel wat hiervan worden geschreven, gecompileerd en vooral gekopieerd door mannen in dienst van de hertog zoals David Aubert of Jean Miélot. Meestal komen de handschriften de bibliotheek van de hertog als losse katernen binnen. Jacques de Brégilles, verantwoordelijk voor de bibliotheek, neemt de voltooiing dan op zich. Hij schiet het geld voor om de opdrachten te betalen, wat hem later wordt terugbetaald. Vervolgens richt hij zich tot een miniaturist die de afwerking op zich neemt, van de versiering (miniaturen, intialen, ...) tot aan het inbinden.



Wat vergoeding betreft, kunnen we op basis van de spaarzame gegevens waarover we beschikken, stellen dat een bekend en gewaardeerd kunstenaar als Nicolaas Spierinc in 1469 twee maal zoveel verdiende als een collega-kopiist in Rijsel. De hertog betaalde Spierinc voor een handschrift van 200 folia met 16 miniaturen, 88 kleine en 13 grote initialen, inclusief perkament en kopieerarbeid, een bedrag dat overeenkomt met 300 betaalde dagen van een meester-ambachtsman: dit is meer dan een jaarsalaris, als men van 240 werkdagen per jaar uitgaat. Het blijft overigens moeilijk om nauwkeurig de omvang van een collectieve arbeid in te schatten.
Er is sprake, vaak in dezelfde stad en op hetzelfde moment, van erg uiteenlopende loonniveaus. Dit heeft uiteraard te maken met zowel de erg verschillende artistieke mogelijkheden van de verschillende artiesten, met het erg disparate karakter van de teksten en de graad van illustratie die in de afgeleverde teksten aanwezig was, als met de aard van de opdrachtgever(s). Wat er ook van zij: de productie van handgeschreven en vanaf de late 15de eeuw gedrukte, en vaak in mengvormen voorkomende teksten van zowel religieuze, historische of literaire aard was voor een relatief ‘brede’ maatschappelijke groep toegankelijk. De betekenis die men aan het bezit van boeken toekende en daarmee aan de graad van intellectuele vorming, is een beslissende factor. Het boekenbezit, ook dat van dure geïllustreerde handschriften, was daardoor zeer verspreid in verschillende sociale groepen, inclusief de middenklassen.

De canon van het Bourgondische luxehandschrift

Het actieve mecenaat van Filips de Goede heeft geleidelijk de canon van het Bourgondisch luxehandschrift vastgelegd: perkament, groot formaat, een layout met veel ruimte, een voorkeur voor de Bourgondische bastarda, overvloedige illustraties en boekbanden van hoge kwaliteit. Deze normen van de goede smaak werden al snel door de hoge adel en het Bourgondische hof in zijn ruime betekenis geassimileerd en daarna overgenomen. Het verluchte handschrift nam een grote plaats in in het ‘edele leven’ en vormde er een van de meest concrete getuigenissen van.
Overigens behoort de overgrote meerderheid van de verluchte handschriften die in de Zuidelijke Nederlanden vervaardigd werden tot wat men de courante productie kan noemen, die niets met hertogelijke opdrachten te maken hadden. Daarom mag men de overgrote meerderheid van de miniaturisten niet enkel beschouwen als hofleveranciers. Talrijke andere personen hebben zich een versierd handschrift aangeschaft, om uiteenlopende redenen en voor een sterk gediversifieerd gebruik. De markt van het verluchte handschrift en het gamma aan manuscripten met miniaturen biedt dus een veel breder spectrum dan enkel de luxeboeken naar de Bourgondische mode.

Een gestandaardiseerde productie

Op het einde van de middeleeuwen voeren de meeste Vlaamse scriptoria opdrachten uit voor de krijgsadel, de burgerij en het stedelijk patriciaat. Handelaars, bankiers, ambtenaren en juristen, wier financiële vermogen was toegenomen − de middenklasse dus − beginnen interesse te tonen voor handschriften, als bron voor ideeën of voorwerp van erkenning. Er ontstaat dus een nieuwe clientèle waarvan de verzuchtingen en noden verschillen van de vorige eeuwen. De verluchters richten zich bij voorkeur op een lekenpubliek. Hierdoor ontsnappen ze onbetwist aan de banvloek van de prelaten die hun volkse beelden in de marges duwden. Ze worden vooral geacht aan een nieuwe, omvangrijke vraag naar boeken te beantwoorden. Ze horen dus dienovereenkomstig te produceren en in snel tempo te werken. Hierdoor zijn ze verplicht dezelfde schema's voortdurend te herhalen. Deze druk laat dan ook weinig ruimte voor vernieuwing. Courante werken worden in serie geproduceerd op grond van bestaande modellen die men gewoon wat aanpast in functie van de klanten. De boekhandelaars leggen een voorraad verkoopklare handschriften aan om aan de vraag van een steeds gevarieerder publiek snel te kunnen voldoen. Dat soort productie verklaart voor een deel het succes van de beweging van de Meesters van de Goudranken of van de vele epigonen en navolgers van Willem Vrelant; miniaturisten die zich in het midden van de 15de eeuw een belangrijk deel van de boekenmarkt toe-eigenen. Het spreekt vanzelf dat deze gestandaardiseerde productie ten koste gaat van nieuwe, originele handschriften.

Schetsboeken

Meer nog dan in de vorige eeuwen gebruiken vele verluchters modelboeken en schetsblokken, die de meesters aan hun leerlingen doorgeven in hun atelier. Dit zijn echte registers met afbeeldingen van personages, planten en dieren, die men voor elk handschrift opnieuw gebruikt. De miniaturisten kennen bovendien een hele reeks min of meer uitgewerkte middelen om de reproductie van afbeeldingen te vergemakkelijken en hun werk in de werkplaatsen te vereenvoudigen. Hiervoor gebruiken ze calques (castra lustra, castra lucida) of behelpen ze zich met uitgeknipte afbeeldingen om de omtreklijnen te tekenen. Sommigen doen een beroep op de prikkingtechniek, een soort sjabloon dat ook wel voor de miniaturen zelf wordt aangewend. Achter deze kopieerpraktijken schuilen geen perfide bedoelingen. In de middeleeuwen verkiest men het exemplum boven het begrip ‘originaliteit’. Sinds ongeveer de tweede helft van de 15de eeuw biedt de graveerkunst bovendien talrijke inspiratiebronnen. De ‘speelkaarten’ van de Meister der Spielkarten en zijn navolgers − omstreeks 1435-1440 in Duitsland uitgevonden en in de meeste streken zeer verspreid −, dienen vele boekmakers als model. Deze reeksen worden meermaals afgedrukt, soms gewijzigd en verkocht tegen lage prijzen in marktkramen. Deze kaarten vertonen naast hoffiguren (koning, koningin, boer) ook getallenreeksen waarin beren, leeuwen, damherten en waadvogels samen voorkomen.