Vlaamse Miniaturen

De kunst van de grisaille

Naar Pierre Cockshaw en Lieve Watteeuw

 

Grisaille is een schildering waarbij men enkel verschillende tinten grijs, gaande van wit tot zwart, gebruikt. Deze techniek verschijnt voor het eerst in de fresco's van Giotto in de 14de eeuw en wordt gebruikt in de schilderkunst op paneel, in het boek en op glas. In de glasschilderkunst betekent 'grisaille' helderheid en soberheid voordat het een spel met het licht wordt. In de paneelschilderkunst berust ze eerst op een keuze voor religieuze strengheid voordat ze een trompe-l'œil wordt, een spel van volumes en licht. Enkel in de miniatuurkunst is de grisaille vanaf het begin een eigen artistieke keuze, een nieuwe vorm, een andere gevoeligheid, een nieuwe esthetiek.

De eerste grisailles in de miniatuurkunst verschijnen rond 1325 in Frankrijk in het werk van Jean Pucelle. Het beperkte formaat van de miniatuur brengt plastische vernieuwingen met zich mee: men spreekt van 'half-grisailles' of 'semi-grisailles' als de kunstenaar zijn tekening ophoogt met rood, blauw of groen om de vleespartijen, de haren of de achtergrond met diepte-effecten weer te geven.




 

In de Parijse luxehandschriften van de periode 1350-1380 werd de grisaille een mode. Daarna verdween ze echter om pas rond 1425 in de Zuidelijke Nederlanden weer op te duiken: Van Eyck en de Meester van Flémalle gebruikten ze op de achterkant van altaren om de beeldhouwkunst te imiteren: trompe-l'œil-schilderkunst, door een subtiel spel van licht en schaduw dat de kleur van de stenen beelden weergeeft. In de miniatuurkunst verschijnt de grisaille opnieuw in de Noord-Nederlandse handschriften, zij het meer picturaal en minder lineair dans in de Parijse handschriften. De luxueuze handschriften in grisaille die vanaf 1460 voor het Bourgondische hof werden gerealiseerd, behoren tot deze traditie.

Jan de Tavernier, meester van de Vlaamse grisaille

Jan de Tavernier (actief tussen 1434 en 1460 in Oudenaarde, tussen Gent en Doornik aan de Schelde gelegen) is de grootmeester van de grisaille die Filips de Goede bijzonder waardeerde. In 1458 gaf de hertog hem de opdracht voor de miniaturen in de Conquestes et croniques de Charlemaine, een compilatie door David Aubert. In dit handschrift brengt De Tavernier deze techniek tot haar volmaaktheid: in minder dan twee jaren realiseerde hij ongeveer 75 miniaturen voor de twee delen van dit handschrift.
Jan de Tavernier selecteerde voor zijn miniaturen uiterst schaarse materialen. De belangrijkste grondstof is carbonzwart, dat als een uiterst dunne laag op het perkament werd uitgestreken. Vervolgens gebruikte [de] Tavernier zwarte ijzergallusinkt voor de figuurlijnen. Opmerkelijk is dat de samenstelling van deze inkt sterk lijkt op diegene die de kopiist van het handschrift gebruikte. Zo wordt discreet de sterke eenheid tussen de tekst en het beeld benadrukt. Voor het semi-grisaille effect had Jan [de] Tavernier drie troeven in zijn palet: goud, vermiljoen (mineraal) en een organisch rood (cochenille, meekrap, brazielhout?). Het gebruik van schelpgoud is nieuw en komt niet voor in zijn miniaturen voor het eerste volume van de Conquestes. De delicate afwerking met dit edel metaal is zichtbaar in de juwelen, het heraldisch wandtapijt, de pinakels en de wapenuitrustingen van paarden en ruiters. Enkele opvallende details vervolledigen de semi-grisaille voorstelling: vermiljoen en organisch rood gemengd met loodwit voor het inkarnaat. Gewaden en de trappen van het paleis zijn opgehoogd met matte rode schaduwen. Ook deze kleur is organisch van oorsprong. Jan de Tavernier is in de miniaturen van de Conquestes veel soberder met kleurtoetsen dan zijn tijdgenoten die in semi-grisaille schilderen, zoals Willem Vrelant en zijn atelier. Deze miniaturisten complementeren occasioneel de grijs-wit afbeeldingen met blauwe, paarse of bruine lijnen. Bij De Taverniers cyclus van verluchtingen zijn opvallende kleuren enkel buiten de afbeelding aanwezig: de fel blauwe omlijsting van de miniatuur in azuriet (een koperhoudend minerale kleurstof) en een kader afgewerkt met bladgoud op een gesso grond.

In navolging van Jan de Tavernier versieren ook andere kunstenaars de handschriften voor het Bourgondische hof in zwart-wit. Tegen het eind van de 15de eeuw verandert de mode echter. Men wijst dan het gebruik van wit, zwart en grijs af: eerst vindt men het nog in de marges, dan verdwijnt het helemaal. Deze bijzondere opvatting van de grisaille, waar het onderwerp geschilderd, maar niet tot trompe-l'oeuil gemaakt, vindt nog een enthousiast beoefenaar in Jeroen Bosch die hele scènes, soms zelfs landschappen met enkel tinten van één kleur.

Bron: Miniaturen in grisaille. Catalogus door Pierre Cockshaw. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 1986.