Vlaamse Miniaturen

De kunst van de marges: drolerieën en marginalia

Naar Bernard Bousmanne. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

In het begin van de jaren 1250 ondergaan de gotische randversieringen ingrijpende wijzigingen. In de handschriften uit Noord-Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden en Engeland verschijnen ‘drolerieën’, een volkomen nieuwe versiering die een loopje neemt met de iconografische normen. Profane en humoristische motieven, opgebouwd rond initialen, komen steeds vaker voor, naast de tekst en de illustratie. Terwijl de randversieringen vroeger louter het verlengstuk waren van de sierletters, staan ze van nu af aan vol dieren, monsters, antropomorfe en hybride wezens, geïnspireerd op de exempla en de volkscultuur. In de marges van de volbladafbeeldingen komen allerhande beesten ruimschoots aan bod, hetzij als dusdanig, hetzij als afspiegeling van menselijke gedragingen. Alle rollen worden omgekeerd: het hert jaagt op de jager, geharnaste soldaten vluchten weg voor slakken en de ezel onderwijst de Schrift. Geestelijken, edelen, burgerij, clerici, nagenoeg alle sociale klassen worden het voorwerp van spot. Ze worden door een uitgelaten fauna hetzij realistisch, hetzij metaforisch op de korrel genomen. De bedoeling van deze soms zeer venijnige satires is vooral plezier en vermaak scheppen: anderen tot lachen aanzetten ten koste van de medemens en van zichzelf.

Ondanks zijn uitgesproken anticonformistische en vernieuwende karakter houdt dit genre maar enkele decennia stand. Vanaf het einde van de 14de eeuw verdringen de snel toenemende planten- en bloemenmotieven geleidelijk de dierlijke of menselijke ‘drolerieën’ in de Zuid-Nederlandse codices. Stilaan worden de randen van de folia bedekt met staafwerk en vertakkingen tussen bloemelementen, acanthusbladeren, slingers, doornappels en stengels. Het samenvoegen en vermengen van al deze elementen laat heel wat combinaties toe. Door de eindeloze verschuivingen in het vlechtwerk en de verstrengelingen overwoekert het gebladerte op de duur de volledige ruimte naast de tekst. Dit door elkaar gevlochten takwerk vol bloemknoppen ontwikkelt zich meer en meer ten koste van de marginalia. De figuren ruimen plaats voor planten en bladeren die uit de initialen en sierletters te voorschijn komen. Ook al zijn er heel wat tegenvoorbeelden, de tendens is duidelijk, voornamelijk in de getijdenboeken en de psalters waarin voordien groteske figuren de lezer voor verveling behoedden en de lectuur minder saai maakten.

 

Wat is de oorzaak van de geleidelijke teloorgang van de Vlaamse ‘drolerieën’? Hoe verklaart men dit fenomeen? Voor een deel heeft dit te maken met de aard van de geïllustreerde teksten. Het mecenaat van de Bourgondische hertogen ging gepaard met de opkomst van geschriften die voordien minder verspreid waren en weinig illustraties bevatten. Ook al bleven devotiewerken gebruikelijk, leken vonden vooral hun leesstof in kronieken, epen, romans of reisverhalen. Al deze geschriften bieden aan de miniaturisten een verzameling fabelachtige wezens die niet hoefde onder te doen voor de bestiaria of bundels mirabilia.

Hierbij komt wellicht nog een andere verklaring die verband houdt met de productiecriteria: diversiteit van de teksten, productiemethoden, profiel van de lezers, zuiver esthetische criteria, ontwikkeling van de smaak ... hebben tot de banalisering en later het verdwijnen van de drolerieën bijgedragen.



Omwerking van een traditie

Verschillende kunstenaars, en niet de eerste de beste, ontsnappen aan deze vorm van banaliteit. Dit is onder meer het geval van Willem Vrelant, Loyset Liédet, de Meester van de Privileges van Gent en Vlaanderen of de Meester van het Gebedenboek van Dresden. Ieder van hen zet de traditie op zijn manier voort. Ze (her)gebruiken vroegere thema’s, die al verschillende eeuwen deel uitmaken van de middeleeuwse cultuur. Ze ontlenen elementen aan de natuur en schilderen geregeld jachttaferelen, de africhting van valken en horigen die vogels strikken. Ze beelden, zoals voorheen, hoofse taferelen en biddende engelen af, musici met een groot aantal duiveltjes, die hun instrumenten maltraiteren. Deze beelden hebben echter hun subversieve en aanstootgevende karakter verloren. De taal wordt minder virulent, de scherpe kantjes zijn eraf. Alles is glad gestreken en verzoet.

Lieven van Lathem, die zich in Gent en nadien in Antwerpen vestigde om aan de te strenge regels van het gilde te ontsnappen, is een van de weinige miniaturisten uit die tijd – wellicht samen met Nicolaas Spierinck –, die het genre heeft vernieuwd. Van Lathem legt de codes naast zich neer en schittert in het voorstellen van antropomorfe wezens die alle normen van de natuurlijke wezens overtreden. Zijn tekeningen voeren treffende gevechttaferelen op waarin de partijen hun tegenstanders bijten en krabben of zichzelf schade toebrengen. Zijn wezens, met lichamen in de vorm van vogels of reptielen, overschrijden de normale anatomische grenzen en nemen allerlei vormen aan. Ze ontmoeten vele soorten dreigende draken met viskeuze tinten, bedekt met schubben en gekartelde uitwassen, en met vliesachtige vleugels zoals vleermuizen. Krampachtige trekken, gapende en verwrongen muilen, puntige, spitse (ezels)oren, alles is nauwkeurig bedacht om verwondering op te wekken. Hiermee vergeleken geven de modellen van de Meesters van Guillebert de Mets of de Meester van Margareta van York een bijna fletse indruk.  

Antropomorfe wezens zijn niet de enige figuren die hier worden afgebeeld. Hybride wezens, samengesteld uit menselijke, dierlijke en plantaardige elementen, zijn onontkoombaar sinds het midden van de 13de eeuw en bevolken de Vlaamse marges nog steeds, twee eeuwen later. Veel voorkomende wezens zijn onder meer romploze monsters, waarvan de kop rechtstreeks op de poten vastzit, en hybride musici, door de moralisten als ministri satanae bestempeld. Al deze schepsels ondergaan opeenvolgende gedaantewisselingen en zijn omringd door tal van monsters, harpijen, vale gieren en onnatuurlijke metamorfosen. Ze worden echter steeds vaker vervangen door stengels en staafwerk. De voor hen weggelegde ruimte krimpt gestadig in. Dit wijst misschien op een zekere moeheid van de miniaturisten ten opzichte van afbeeldingen die voortaan als gekunsteld, afgezaagd en repetitief worden ervaren.

De uitvinding van de bas de page

Men dient ook rekening te houden met de opkomst, begin de jaren 1420-1430, van een nieuw genre: bijkomende afbeeldingen onderaan het blad die de taferelen, vaak door typologische verbanden, aanvullen. Zonder ze definitief te weren, hebben deze afbeeldingen ook bijgedragen tot het verbannen van de ‘ongerijmdheden’ naar steeds kleinere ruimten. Het getijdenboek van Turijn-Milaan, dat in het midden van de 15de eeuw tot stand kwam, is op dat vlak een keerpunt. Onder de hoofdillustraties werden in de benedenmarge – zo goed als onafhankelijke - verhalende taferelen afgebeeld. Een sprekend voorbeeld vindt men op het blad met Christus als Salvator Mundi, toegeschreven aan de Meester van de Kruisiging van Berlijn. Onder deze voorstelling heeft de Meester van Jean Chevrot een opmerkelijke scène geschilderd waar twee ridders knielen voor een edelman. Er ontstaat dus een soort splitsing van het verhaal die veel meer inhoudt dan een gewone randversiering. Simon Marmion en de Weense Meester van Maria van Bourgondië hebben, gevolgd door vele anderen, een bijkomende dimensie gegeven aan deze iconografische aanvullingen door de verhalen in éénzelfde ruimte over alle marges heen te laten doorlopen. De gebruiken, de esthetische opvattingen en de gevoeligheden hadden duidelijk een evolutie ondergaan.

Ornamentele margeversiering

Nog heel wat andere voorbeeldfiguren komen voor in de geïllustreerde randen van handschriften uit de Zuidelijke Nederlanden. In hoofdzaak blijven de randversieringen van deze Gouden eeuw van de Vlaamse miniatuur echter vooral sierelementen. De marges worden opgeslokt door de hoofdillustraties en belichamen niet langer dit universum ‘aan de grenzen van de wereld’, waar de grens van het conventionele werd overschreden. Door overdreven te willen wedijveren met de paneelschilderkunst, keerde de verluchting haar echte bestaansreden de rug toe: het in beeld brengen van de tekst. De drolerieën kennen hetzelfde lot. Op hun beurt deden ze afstand van hun verborgen betekenis. Op het einde van de eeuw namen godsvruchtige medailles, bloemen in zoeterige tinten en pauwenpluimen definitief de plaats in van de beeldenstormende apen.