Vlaamse Miniaturen

Opdrachtgevers

Naar Céline Van Hoorebeeck. Volledige tekst in de catalogus van de tentoonstelling.

 

 

Opdrachten van de hertogelijke dynastie of de hoge boekminnende adel, verluchte handschriften op bestelling van het stedelijk patriciaat, de clerus, profane of religieuze instellingen: het cliënteel was al even gevarieerd als de handschriften zelf. Naast het vorstelijk en aristocratisch patronaat, is het mede – en misschien zelfs vooral – dank zij dat bredere publiek dat de miniatuurkunst in de ‘landen van belofte’, die onder Bourgondisch-Habsburgs gezag waren samengebracht, zo'n grote bloei heeft gekend.

Mecenaat van de hertogen van Bourgondië

Deze ontwikkeling zonder precedent was nauw verbonden met de grote en blijvende geestdrift van Filips de Goede voor het boek, die hem ertoe aanzette de Bourgondische bibliotheek, waarvan zijn grootvader Filips de Stoute de grondslag had gelegd, daadkrachtig en ambitieus uit te breiden. Om zijn collectie te verrijken deed de Grote Hertog van het Westen beroep op het talent van talrijke verluchters en andere betrokkenen in het boekbedrijf in zijn landen van herwaarts over. Helaas, als deze al niet volstrekt anoniem gebleven zijn, rest van een groot aantal miniaturisten nog slechts een vermelding in een archiefdocument in verband met hun activiteiten aan een boek dat nu verdwenen is of nog niet werd geïdentificeerd. Ondanks de spelingen van het lot waarmee archiefstukken al dan niet bewaard bleven, zijn enkele verluchters toch bij naam de geschiedenis van de Vlaamse miniatuurkunst ingegaan, zoals Willem Vrelant, Loyset Liédet, Philippe de Mazerolles, Jan de Tavernier, Simon Marmion, Jean Miélot, Jean Hennecart en Lieven van Lathem. We danken aan hen ook enkele meesterwerken die op verzoek van Filips de Goede werden gerealiseerd en die de faam van zijn verzameling boeken verzekerden, die met enige nadruk omschreven werd als de plus riche et noble librairie du monde 'de rijkste en edelste bibliotheek ter wereld'

Een propagandacampagne

Het vorstelijk mecenaat, en dan met name dat van Filips de Goede, heeft een fundamentele rol in de Vlaamse miniatuurkunst gespeeld. Enkele opdrachten van de hertog beantwoorden bovendien duidelijk aan de politiek van een vorst die aan het hoofd staat van een mozaïek van territoria waar hij de wettigheid van zijn gezag bevestigd wil zien, zijn souvereiniteit wil rechtvaardigen en tegelijk de leidende klassen wil verenigen en binden. De Chroniques de Hainaut (1448), de Histoire d'Alexandre (1448), de Roman de Girart de Roussillon (na 1448), de Chroniques de Jérusalem abrégées (na 1455) of nog de Conquestes et croniques de Charlemaine (1460) kaderen bijvoorbeeld in die heuse propagandacampagne. De hertogelijke bestellingen hebben ook betrekking op de verluchting van sterk uiteenlopende teksten met allerlei andere functies, of het nu gaat om didactische werken, literatuur over de jacht of moralistische werken en ridderromans, zonder uiteraard de religieuze werken te vergeten.
Deze belangstelling voor het boek werd gedeeld door Karel de Stoute, zoon en opvolger van Filips de Goede, en door andere leden van de hertogelijke familie, zodat de smaak voor het verluchte handschrift een ware familietraditie werd en ertoe heeft bijgedragen om aan de Bourgondische dynastie een eigen culturele identiteit te verlenen.





 

Ook buiten de eigenlijke familiekring gaf de bibliotheek van Filips de Goede de toon aan, zowel op literair als op esthetisch vlak, en heeft zij zich doorgezet als het model bij uitstek van een aantal boekenverzamelingen die hoofdzakelijk uit Franse teksten bestaan en zich rond een gemeenschappelijke kern van historische, didactische en literaire werken groeperen. Werken die zich in de wereld van het hof bewegen genieten de voorkeur, vooral in de vorm van rijk geïllustreerde handschriften.

Lodewijk van Gruuthuse: een vooraanstaand bibliofiel

Dit type bibliotheek vormde het model voor de hogere kringen van de Bourgondische maatschappij, die op hun beurt een eigen verzameling gingen aanleggen. In de aristocratie van de Zuidelijke Nederlanden, die dol was op handschriften met miniaturen, dringt één naam zich op: Lodewijk van Gruuthuse, ridder van het Gulden Vlies († 1492), zonder twijfel de belangrijkste opdrachtgever van verluchte manuscripten na Filips de Goede. IZijn verzameling is vaak vergeleken met die van de hertog en in zekere zin is dit gerechtvaardigd: zowel inzake vorm als inhoud vertonen beide bibliotheken immers een onloochenbare verwantschap. De heer van Gruuthuse deed beroep op verschillende miniaturisten en kopiisten die ook voor de hertog werkten – Vrelant, Liédet, Van Lathem, Hennecart, Aubert, du Chesne – en zijn literaire voorkeur ging duidelijk in dezelfde richting als die van de bibliotheek van Bourgondië.
Ook andere leden van de Bourgondische aristocratie dan Lodewijk van Gruuthuse hadden een uitgesproken belangstelling voor het verluchte handschrift, zoals Jean de Créquy of Jean de Wavrin. Sommige families vormden heuse 'lijnen' waarbij de liefde voor het versierde boek van vader op zoon overging, zoals de Croÿs, Lalaings, Lannoys, Kleefs, Luxemburgs en Nassaus.

Een sterk gediversifieerd publiek

Naast een vorstelijk en aristocratisch publiek konden heel wat verluchters op een ander type cliënteel rekenen, dat bestond uit personen van bescheidener afkomst die zich in de coulissen van de vorstelijke macht bewogen, vertegenwoordigers van de lagere of middelste adel en ambtsadel, net zoals de recente of oudere militaire adel, zoals Antoine en Guillaume Rolin – twee zonen van de beroemde kanselier Rolin. Ook tal van geestelijken deden beroep op de ateliers van de miniaturisten naar het voorbeeld van de 'Bourgondische bisschoppen Jean Chevrot, Guillaume Fillastre en Ferry de Clugny.

Talrijke handschriften werden ook gemaakt voor wat men gewoonlijk de stedelijke burgerij noemt, een sociale groep die zich moeilijk nauwkeurig laat omschrijven. Het patriciaat in de steden heeft in niet geringe mate bijgedragen aan de vitaliteit van de boekensector door bij de miniaturisten bestellingen te plaatsen voor getijdenboeken, een type dat in de 15de en 16de eeuw een enorm succes kende. Deze bundels bevatten gebeden en psalmen die het ritme van de dag bepalen en bieden ook de (kerkelijke) kalender van het jaar.

Omdat zowel de tekst als de versiering van deze getijdenboeken gemakkelijk aan individuele wensen konden worden aangepast, leende dit soort boeken zich uitstekend voor de privédevotie. Ze werden op het einde van de middeleeuwen dan ook in grote aantallen gemaakt, steeds aangepast aan de persoonlijke smaak van de opdrachtgever en binnen het bereik van ieders beurs, tenminste als er toegevingen werden gedaan aan de kwaliteit (die bijgevolg erg wisselvallig was) en de termijn van uitvoering. De getijdenboeken waren zonder enige twijfel het genre dat het meest populair was bij de burgerij, maar daarnaast werd ook beroep gedaan op miniaturisten om de meest uiteenlopende teksten te illustreren, religieus of profaan.

Tenslotte werden ook talrijke verluchte handschriften door de overheid of een officiële instelling besteld. Het ging hier zowel om profane instanties en groepen (rederijkerskamers, gilden, centrale of lokale administraties, universiteit) als om religieuze instellingen (broederschappen, gasthuizen en andere caritatieve instellingen). Stedelijke oorkonden en privileges, kloosterregels, broederschapsboeken, chartularia van gilden, keuren en ordonnanties vormen evenzoveel verluchte handschriften die al te lang verwaarloosd werden ten gunste van het hofpatronaat.

Verluchte handschriften bestellen is niet langer een voorrecht van de aristocratie. De miniaturisten hebben een veel breder publiek dan men meestal denkt, een publiek dat burgers ambtenaren en instanties omvat.